Trog van desillusie

Economie is geen wetenschap. De modellen van Marx, Keynes, Friedman en collega’s waren allemaal modellen, waarvan of de maakbaarheid van de samenleving een belangrijke rol speelde, of juist niet. Bij wis- of natuurkunde zijn er geen discussies over oplossingsrichtingen. De stelling van Pythagoras klopt altijd, evenals de wetten van Newton. Economie is een verzameling van een aantal theorieën, waar vooral het geloof van de combinatie iemand tot aanhanger maakt. Dat is dus meer een religie dan een wetenschap. Het aantal variabele factoren in economische formules zijn zo groot dat er van de formules weinig over blijft. Het is dus helemaal geen wetenschap. Als economische formules al leken te werken kwam dat doordat de omgeving waarin de formules werden ingezet altijd een aantal harde kanten had. Vaste waarden zou je deze kunnen noemen. Daardoor werd de formule eenvoudiger en de voorspelbaarheid groter. Dit lijkt logisch, maar het effect is enorm. Waarom werkte tijdelijk de communistische systemen? Het antwoord is simpel. De factor vrije wil werd uitgeschakeld. En technisch gezien kun je dan een economisch systeem naar de hand zetten. Democratie is daarom een grote vijand van economische systemen. Je kiest voor een economische aanpak. Op een gegeven moment is meer dan de helft tegen en met nieuwe verkiezingen wordt ook daardoor een nieuwe economische koers bepaald. Weg effecten van je aanpak. Economische systemen hebben namelijk tijd nodig en veroorzaken altijd wel ergens pijn. Ze voldoen vaak bij de aanvang aan het patroon van de Gartner hype cycle. Deze hype cycle wordt gebruikt om de levensloop van technologische hypes te beschrijven. Dat is een systeem waarbij bij het lanceren van een idee iedereen erg enthousiast is en er veel vertrouwen is dat het een succes gaat worden. Vervolgens valt iedereen over elkaar heen, worden er foute keuzes gemaakt, blijken de verwachtingen op dat moment te hoog of misbruiken groepen de nieuwe ideeën. Daardoor neemt het vertrouwen sterk af en zakt men in de “trog van desillusie”. En in een politiek-economisch systeem zou men dan alweer van het systeem af willen. Eigenlijk wordt in deze trog van desillusie de politiek al afgerekend op het idee en krijgen de ideeën geen kans om door te ontwikkelen en uit het dal te kruipen om een status te bereiken zodat er wel grote voordelen te behalen zijn. Voor technologie werkt dit namelijk wel zo. De reden is ook weer simpel. Technologie heeft een directe verbinding met spullenboel: dingen die je kunt zien, aanraken, gebruiken en veranderen. Niet centraal bestuurd vanuit Den Haag of Den Bosch, maar door mensen en bedrijven, die ergens toch mogelijkheden blijven zien om er een succes van te proberen maken. En uiteindelijk kruipen technologische ontwikkelingen uit dat dal en verwerven een stabiele positie, waardoor de acceptatie er weer is door de maatschappij. Hoe het verder afloopt met de hype zie je niet in de hype cycle, maar meestal verdwijnen zaken weer door nieuwe hypes en werkt het als een golfbeweging. Mooi voorbeeld is de vaste telefonie, dat over deze lifecycle meer dan 100 jaar gedaan heeft en nu plotseling nog als bijproduct bestaat naast de nieuwe hype: het mobieltje.

Economische stelsels worden dus al afgebroken voordat ze tot volwassenheid komen. In de praktijk betekent dit dat alle voorspellingen van centraal planbureau en CBS uitgaan van verwachtingen, waarbij teveel vaste waarden moeten worden aangenomen en dus nooit exact uit kunnen komen. De richting wordt bepaald door de mensen zelf. En dat is niet gevoed door feitelijkheden, maar sentimenten als geloof, vertrouwen en hoop. Neem nu ons spaargedrag. Aan de ene kant worden er in blinde paniek de meest abjecte bezuinigingsvoorstellen over ons neergestort, maar verwacht de politiek dat de mensen meer economisch gaan bewegen, ofwel investeren. Maar het effect is dat de mensen juist heel terughoudend worden en gaan sparen en zelf ook gaan bezuinigen. Zelfs als er nog niets aan de hand is. Instituten als de hypotheekaftrek en vrije toegang tot zorg en onderwijs worden zomaar doorgesneden of toch weer niet en dat maakt de mens onzeker. Het feit dat we maar een radertje zijn in het gehele economische apparaat zorgt ervoor dat mensen beseffen dat hun invloed maar heel beperkt is, of willen juist als radertje ontsnappen en een eigen kansloos microsysteem opzetten zoals de SP en PVV betogen. En wat doet een mens als hij het vertrouwen verloren is: dan gaat hij zichzelf beschermen. Hoe kan ik overleven? Aangevoerd door het Nibud, die nu mensen openlijk sterk adviseert te gaan sparen en schulden af te lossen komt er zand in de machine van de economie. Sparen en aflossen betekent dat het geld niet rolt, dat er niets wordt gekocht en dus niets wordt gemaakt en vooral niets wordt verdiend. Nog meer werklozen, die ook weer zichzelf zullen beschermen door spaarzaam te zijn. En dan hebben we het nog niet over de huizenmarkt, die totaal vast zit, doordat de huizen veel te duur zijn en de exploitatielasten van een woonhuis onvoorspelbaar zijn. Alles is gedreven door sentimenten van de burger. En als onze overheid –als enige partij nog enige economische invloed uitoefend- ook geen ruimte biedt om te investeren –zoals bij een vorige crisis in de jaren 30 volgens de modellen van Keynes wel gebeurde-, komt de economie krakend tot stilstand.

Begrotingsdiscipline is leuk, maar als iedereen zijn huis pas zou kunnen betrekken als hij het tot de laatste cent eerst bij elkaar gespaard had, had nauwelijks iemand een huis. Het als overheid nu iets meer begrotingsruimte nemen om direct te zorgen dat er investeringen gedaan worden, zou de molen weer op gang kunnen brengen en ervoor zorgen dat uit de winst en vooral het vertrouwen die dan ontstaat we juist geen hypotheek leggen bij onze kinderen.
Maar met de financiële onzekerheid door het gesteggel in Den Haag en geruggensteund door het Nibud gaan de gewone mensen massaal hun risico’s beperken en verdwijnen we in de donkere jaren.
Het was ooit zo mooi….

Rinus Krijnen

De coöperatie als redder

Wat als de overheid of de markt niet meer in staat is om de
problemen het hoofd te bieden? Dan zullen de mensen het samen moeten doen. En
eigenlijk is dat ook de meest natuurlijke manier om problemen aan te pakken. In
de afgelopen honderdvijftig jaar hebben we getracht om overheden de rol te
geven om voor iedereen de problemen op te lossen. Daarvoor zijn er tal van
regels, wetten en richtlijnen ontstaan om onze maatschappij zo soepel en
hopelijk eerlijk mogelijk in te richten. Aanvankelijk leek dit goed te gaan,
maar naar verloop van tijd werd de regeldruk te hoog. Het is zo ingewikkeld dat
de gewone burger afhaakt en niet meer weet waar hij zich aan te houden heeft of
er niets meer van begrijpt. Dan heb je weer een ontstellend complex juridisch
apparaat nodig die alles uitlegt en interpreteert. Bovendien zijn er tal van
regels waar de burger zich aan moet houden, terwijl hij er nooit of zeer zelden
mee te maken krijgt. Het gevolg daarvan is dat mensen zich afkeren van de
regels of actief proberen de regeldruk te verminderen. En de groepen die het
hardst roepen dat de regels moeten verdwijnen hebben vaak zelf belangen om dit
te doen, vaak om zichzelf meer te kunnen verrijken. Langs deze redeneerlijn zou
je kunnen zeggen dat de wereld een apenrots is, waar de macht bepaald wordt
door de sterkste. Sociaal gedrag nivelleert en beperkt de macht, als dit wordt
afgedwongen door regelgeving.

Als je dit vanaf een afstandje bekijkt zie je dat wetten en
regels inmiddels veel verder gaan dan ervoor zorgen dat er vangnetten zijn,
waarmee het zwakkere deel van de samenleving nog een menswaardige kans krijgt,
of waarmee basisafspraken zijn vastgelegd zodat de boel niet in de soep loopt,
zoals dat we rechts rijden in het verkeer en dat mensen gestraft worden bij
onacceptabel gedrag.

Maar veel van de regelgeving is doorgeslagen tot een woud
van beperkingen. De regelgeving heeft de menselijke maat overtroffen en de
mensen snappen niet meer waarom de regels er zijn. Wetten krijgen wel een
ingangsdatum, maar geen einddatum en daarmee wordt de regeldruk alsmaar groter.
Vervelend is bovendien dat met het
ontstaan van regels er ook handhaving moet worden opgezet, anders trekt niemand
zich iets van die regels aan. Het gevolg is dat de taken van de overheden steeds
groter worden en dus steeds kostbaarder. En zolang de bomen in de hemel groeien
was dat nog niet echt een probleem.

Maar nu is het crisis. En een crisis voltrekt zich in
golven. Bij het normale patroon ga je in zo’n golf wel even kopje onder, maar
kun je vrij snel toch weer lucht happen. De huidige crisis voltrekt zich echter
atypisch. De golf heeft zich nauwelijks teruggetrokken en er komt alweer een
nieuwe golf aan.
Na een paar van deze golven vallen er slachtoffers.

In de praktijk betekent dit dat er enorm moet worden
bezuinigd. De schaarste neemt toe en er moeten beslissingen worden genomen, wat
nog wel kan en wat niet. In ieder geval zou je niet moeten tornen aan
basisregels en vangnetten. En aangezien de toekomst door onze demografische
samenstelling weinig hoop biedt op verbetering zal de afbraak van het huidige
stelsel zeker worden doorgezet.
En dan komt de vraag: wanneer is iets nog een vangnet of heeft de gemeenschap
zich zodanig ontwikkeld in de pyramide van Maslow, dat de normen voor een vangnet
steeds hoger worden.
Zo vinden grote delen van onze gemeenschap bijvoorbeeld dat culturele subsidies
tot de basisbehoeften behoren, maar anderen vinden dat bij goed onderwijs –het
scheppen van kansen- en het uitsluiten van armoe en ellende het vangnet
ophoudt. Inmiddels is de crisis zover toegeslagen dat zelfs aan het laagste
niveau van het vangnet wordt geknaagd. En door de afnemende regeldruk die
daardoor gaat ontstaan zien bepaalde groepen weer kansen. Het gevolg is dat de
crisis hard toeslaat, maar tot gevolg heeft dat het rijkste en machtigste deel
van de maatschappij alleen maar rijker wordt. Daar gaat de zorgvuldig opgezette
verzorgingsstaat in rasse schreden de afvalput in. Zeker als er na de volgende
verkiezingen een rechts meerderheidskabinet zal ontstaan. Die kans is vrij
groot, want in tijden van nood denken mensen in eerste instantie aan hun eigen
belangen en gaan pas weer elkaar helpen als echt niemand meer iets heeft. De
evolutie is op dat vlak niet echt doorgezet.

Microfinanciering

In echte arme landen zijn er nauwelijks regels en heeft men
helemaal geen vangnetten. Daar zie je dat mensen die dezelfde problemen hebben elkaar
gaan helpen. Dat verhoogt de sociale cohesie en betekent dat je zonder schroom
een beroep kan en zelfs moet doen op je buren of directe omgeving.
Het grote voordeel is ook dat je direct ziet waarom je dit doet. Ik help iemand
om te overleven, zodat ik een beroep kan doen op de ander als mij iets
overkomt.
Er is in deze landen geen investeringsruimte om te kunnen ondernemen. Het is
een ijzeren wet dat wanneer je iets kan ondernemen er economisch verkeer
ontstaat, waardoor het welzijn en de welvaart toeneemt. Uit die gedachte
ontstaan coöperaties, waarbij ieder een klein deel inlegt om initiatieven te
kunnen financieren. Vaak met slechts een zeer klein kapitaal kan een
onderneming op gang gebracht worden. Dit is het principe van microfinancieren
en om risico’s af te dekken wordt dit ook op het gebied van verzekeren opgezet,
zodat de gewassen, maar ook de zorg en het leven niet direct bedreigd worden
bij tegenslag. Inmiddels zijn er al veel succesverhalen op dit gebied. Heel
kenmerkend is aan microfinancieren, dat meteen duidelijk is waarvoor je het
doet. Daarom is zowel links (verbeteren van de gemeenschap) als rechts (kansen
scheppen voor het individu) een voorstander van deze samenwerkingsvorm.

De coöperatieve
financiële instelling

Half 19e eeuw waren er in onze omgeving ook nog
niet zoveel regels. De voornamelijk agrarische wereld had flink te kampen met
te weinig financieringsruimte om te kunnen groeien. Geld lenen was veel te
duur. Door het beperkte spaargeld uit de boerensamenleving te bundelen in één
kas, ontstonden er boerenleenbanken, coöperatieve banken naar het model van de
Duitser Raiffeisen, waar de boeren tegen redelijke onderling afgesproken
condities, geld konden lenen. Hier was ook duidelijk dat het doel van sparen en
lenen een onderdeel was van de overlevingsstrategie van de directe omgeving.
Daarom deden er veel mensen mee. Bovendien waren de leden eigenaar van de bank,
waarmee speculanten buiten de deur werden gehouden.
In de jaren tachtig van de vorige eeuw hebben de grote coöperatieve banken en
verzekeraars zich ook wel afgevraagd of het coöperatieve model nog wel nodig
was. Het nadeel van de coöperatie is dat de vereniging de belangrijkste stem
heeft en daardoor besluiten maar langzaam tot stand komen. Bovendien kon je als
bestuurder van een coöperatieve instelling niet profiteren van opties op
aandelen. Zeker in goede tijden werd dit door sommige coöperatieve bestuurders
met lede ogen aangezien. Een ander probleem is de groei van je vermogen. De
enige bron om middelen aan te trekken komt uit je eigen achterban, dus geen
emissies van aandelen waarmee derden zich kunnen inkopen in je onderneming en
daardoor snel kan worden ingespeeld op kapitaalbehoeftes. Veel coöperatieve
instellingen zijn in de jaren 80 en negentig omgezet naar NV’s en BV’s om te
kunnen profiteren van de conjuncturele ontwikkelingen.
In Nederland heeft de Rabobank ook wel eens met deze gedachte gespeeld, maar
door de sterke coöperatieve organisatie en invloed van de leden is het nooit
zover gekomen. De bank profileerde zich als een degelijke, strenge maar
rechtvaardige bank, waar vooral de directe gemeenschap een zware stem bleef
hebben. Weliswaar is het aantal lokale banken beduidend kleiner dan twintig
jaar geleden; de principes zijn niet overboord gezet. Door deze solide
constructie is de bank jarenlang door de belangrijkste kredietwaakhonden
beloond geweest met een triple A status –de hoogste status die er is. Deze
status heeft de bank inmiddels los moeten laten, omdat bleek dat de
kredietbeoordelaars hun normen bijstelden, nadat zelfs triple A instellingen
bleken te kunnen omvallen in de huidige crisis. Nog steeds behoort de Rabobank
van alle private banken ter wereld nog tot de hoogste categorieën. Een ander
kritiekpunt van de kredietbeoordelaars was dat de bank door zijn
besturingsmodel te langzaam zou kunnen inspelen op veranderingen. Ze zouden
moeilijker in staat zijn te reageren op de markt en zo te langzaam geld kunnen
aantrekken of dumpen. Deze conclusie heeft mij altijd verbaasd. Juist dat
speculatieve effect en gebrek aan onderling vertrouwen is de reden dat veel
handelsbanken nu in de problemen zijn gekomen. Een bank moet als een rots in de
branding staan en niet met elke golf meebewegen. Je ziet het nu ook. De
Rabobank wordt door vele grote beleggers gezien als een veilige haven. Het
bedrijf heeft geen beursnotering, dus de waarde kan zomaar niet instorten. De
kans dat de overheid op grote schaal daar moet inspringen is erg klein. En
hoewel door het aantrekken van zoveel middelen de bank nauwelijks een
vergoeding meer kan geven hierop, verkiezen vele beleggers deze bank om te
voorkomen dat ze in een faillissement van een handelsbank terecht komen met hun
tegoeden.
Het blijkt dus dat een bank met aandeelhouders op de beurs eigenlijk geen goed
concept is voor een systeembank. Het coöperatieve model is dit wel. Door de
grilligheid van de markt zijn overheden verplicht gebleken banken overeind te
houden, om het financiële systeem te redden. De coöperatieve bank leek hiervoor
ongevoelig.

Crowdfunding

Een mooie Nederlandse benaming is er (nog) niet als het gaat
om crowdfunding. Met de crowd wordt meer bedoeld dan de menigte, maar weer minder
dan de samenleving. Dus in deze context laat “crowd” zich slechts vertalen door
coöperatie, maar dat smoelt niet.

Crowdfunding is het bij elkaar brengen van geld om een doel
te bereiken. Dat kan een ideële doelstelling zijn, waarmee een goed doel wordt
gefinancierd, maar het kan ook een belegging zijn waar je voor een klein deel
aandeelhouder wordt van een project. Zeker nu de overheid van plan is om
allerlei culturele subsidies aan banden te leggen, is juist de gemeenschap de
plaats om geld te halen. Ik houd van kunst, muziek en ook wel theater. Als
individu heb ik daar best geld voor over. Als de overheid besluit geen
culturele instellingen meer te financieren vanwege de crisis, dan zouden de
producties nog aan sponsoring kunnen denken. Maar als ook sponsoring door
dezelfde crisis niet voldoende opbrengt, blijven alleen de liefhebbers over als
financieringsbron. En zo komen we dan op hetzelfde principe uit als bij
microfinancieren en coöperatief bankieren. Er is een gezamenlijk doel
–dichtbij- en door samen deel te nemen kan het doel worden bereikt. In ideële
zin kennen we hierbij acties waarbij mensen inspanningen verrichten om geld bij
elkaar te sprokkelen. Denk bijvoorbeeld aan Roparun of Alpe d’Huzes. In plaats
van langs de deur te gaan of bedelbrieven te sturen worden vooral social media
en radio en TV ingezet om mensen te motiveren om mee te doen. Voordeel van deze
media zijn dat het eenvoudig is op te zetten, een grote –vaak gerichte- groep
mensen wordt bereikt en de saamhorigheid stevig prikkelt. Bij Alpe d’Huzes zie
je dat dit in een paar jaar tijd enorme proporties heeft aangenomen.

Hou je het wat kleiner dan kan de crowd jou bijvoorbeeld
helpen een CD te maken of een theaterproductie. Via speciale websites, forums,
apps en via de social media zoals Hyves, Facebook, Google+ en Twitter maak je
reclame voor je productie. Vaak laat je al iets zien wat de bedoeling is (een
demo een verhaallijn etc.) waardoor mensen geboeid kunnen raken over je
initiatief. Je zou het dan als een soort lening in kunnen zetten. Mensen
betalen bijvoorbeeld 15 euro vooraf voor het maken van een CD. Heb je voldoende
middelen vergaard om de studio en muzikanten af te huren, de productie te
produceren en te fabriceren, dan krijgen de voorfinanciers als eerste de CD (gratis)
toegestuurd (of kunnen deze gratis downloaden) als deze klaar is. Daarmee geeft
de financier de artiest optimale beslissingsruimte om de productie te maken
zoals de artiest het wil en is deze niet meer afhankelijk van
platenmaatschappijen, pluggers, uitgeverijen etc.
Het risico ligt dan voor maximaal 15 euro bij de kredietverstrekker. Het is wel
net zo sympathiek om de spelregels vooraf duidelijk te maken. Stel een artiest
heeft 40.000 euro nodig voor het maken van een CD, Als de productie niet doorgaat krijgt de
kredietverstrekker een deel –zeg een tientje- terug en gaat de productie door
dan krijgt hij de CD thuis gestuurd. Ook moet er een termijn worden
afgesproken. Zo beperk je het risico voor de kredietverstrekker. Als blijkt dat
een artiest nooit tot producties komt, maar wel geld inzamelt zullen de forums,
de social media etc. dit zeker gaan veroordelen, waardoor er een
zelfregulerende situatie ontstaat.

Met crowdfunding kun je
dus direct een doel financieren, zonder dat er bemoeienis is van
allerlei, geen waarde toevoegende, vaak graaiende, tussenpersonen. Er is een
directe afspraak tussen de initiatiefnemer en de financier. De financier wordt
beloond met het product en de artiest heeft optimale vrijheid, binnen de door
hemzelf gestelde kaders.

Deze vorm van vluchtige coöperaties zullen de komende jaren
door het terugtrekken van de markt en overheid veel gaan ontstaan. In
artistieke zin heeft dit als voordeel dat producties gedurfder en veel meer
variatie kennen. Het nadeel is dat de kunstenaar zich niet alleen moet bezig
houden met zijn artistieke vaardigheden, maar zich als een ondernemer moet
opstellen. Daarmee zal de kunstenaar ook
meer steun krijgen uit liberale kringen.

Conclusie

De coöperatieve werkvorm is zeer succesvol gebleken en
blijkt in crisistijden opnieuw zeer krachtig te zijn. Het maakt mensen bewust
en laat ze kiezen waaraan ze deelnemen en waaraan niet. Je hebt als deelnemer
invloed en er gebeuren daardoor de dingen die je wilt.
In ons eigen dorp is er nu een idee om in coöperatief verband energie op te
wekken. Interessante ontwikkelingen bij een terugtredende overheid en waarbij
een appèl wordt gedaan op samenwerking. Wellicht een nieuw strijdmiddel tegen
het individualisme.

Rinus Krijnen

Big data

Sinds het internet populair is, zijn er zoekmachines. In het prille begin
voldeden die nog niet erg en werd er een “startpagina” gemaakt, waar
de meeste relevante links naar de populairste onderwerpen werden verzameld en
geordend getoond. Een Nederlandse vinding, die in korte tijd erg populair werd.
Bijna iedereen gebruikte “startpagina” wel als inderdaad de eerste
pagina bij internetgebruik. Het grote nadeel was het onderhoud van de pagina.
Wat wil de internetgebruiker zien? Beheer over de inhoud was een must van het
concept.

In de tijd werden de zoekmachines beter. Als je met een bepaalde term
zocht, kreeg je meer relevante antwoorden. En toen kwam Google. Opvallend aan
Google was vooral de snelheid. Daardoor was het maken van fouten in je zoektermen
ook geen probleem, want je kon het direct herstellen, door een nieuwe term in
te geven, zonder ergerlijk tijdverlies. Uiteraard waren bij Google de
zoekresultaten niet altijd goed, maar iedere gebruiker ontwikkelde een soort
gevoel, om de relevante van de
niet-relevante resultaten te scheiden. De startpagina, die structuur wilde
aanbrengen, voordat je ging zoeken verloor snel terrein, zeker toen het
internet veel te groot werd en daardoor nauwelijks meer te structureren. De
startpagina’s bestaan nog steeds, maar als een verzamelpunt rondom een
specifiek onderwerp. Startpagina werd verdrukt als landingspagina van het
internet en vervangen door (meestal) Google.

Als je binnen een groot bedrijf naar informatie kijkt, hadden we tot voor
kort niets geleerd van deze Google-ontwikkeling. Dat was meer iets voor
consumenten. Binnen een bedrijf is informatie in het algemeen slecht te vinden.
Vaak komt het omdat het bedrijf zijn data beschermt en zelfs onder zijn eigen
medewerkers de gestructureerde data spaarzaam wil verspreiden. Anderzijds omdat
grote bedrijven vele IT-systemen naast elkaar draaien en het moeilijk is over
deze systemen heen zoekmechanismen te maken. Vaak schermen technologische
platformen zichzelf af, om de bedrijven te bewegen uitbreidingen op hun
systeemlandschap bij een partij te houden. Te veel openheid kan als gevolg
hebben dat bedrijven voor onderdelen gaan shoppen en mogelijk uitwijken naar
concurrenten.

En dan hebben we het hier nog over zogenaamde gestructureerde data, waarbij
het juist simpel zou moeten zijn om het te tonen en te ordenen.

Het is dus wonderlijk dat de informatiebehoefte van een simpele internetgebruiker
zonder ervoor één cent te betalen razendsnel wordt vervuld, en dat bedrijven
met grote budgetten niet eens in staat zijn hun eigen informatiehuishouding te
openen. De oplossing wordt deels gevonden door zogenaamde datawarehouses in te
richten. Alle relevante computersystemen sturen hier periodiek gegevens naar
toe, of worden leeg gelezen, en het datawarehouse structureert alles. De
gebruiker krijgt een systeem om data te verzamelen of krijgt digitaal of op
papier een rapport.

Alle gegevens die niet binnen het bedrijf worden verzameld zijn niet
toegankelijk en dus al helemaal niet te mengen met de eigen data. Het is anders
wel handig als publiek beschikbare informatie gebruikt zou kunnen worden. Er
zijn op het publieke veel gegevens te vinden van je klanten. Zou je die kunnen
inzetten dan zou je als bedrijf doelgerichter en doelmatiger kunnen adviseren.
Dat kan beteken dat een advies rijker, persoonlijker en verrassender wordt en
daarmee omzet vergrotend kan werken.

Die ongestructureerde data in de boze buitenwereld was tot voor kort
slechts het domein van o.a. Google en Yahoo. Google heeft ontstellend veel
rekenkracht ter beschikking en slimme software om razendsnel resultaten te
tonen. Deze techniek – Hadoop – is sinds kort vrijgegeven, zodat ook andere
bedrijven gebruik kunnen maken van deze slimme software. Omdat ook de
bandbreedte, de opslagcapaciteit en de rekensnelheid van servers nog steeds
fors toenemen, is het nu mogelijk om deze ongestructureerde data -big data – te
gebruiken.

De ongestructureerde data komt van het internet. Met de social media, blog-
en websites zetten mensen heel veel gegevens over zichzelf op het internet.
Vaak gefragmenteerd, dat wil zeggen: via het ene kanaal wordt bijvoorbeeld iets
over de hobby verteld en op een ander kanaal weer iets over werk en
werkgerelateerde interesses. Als je met slimme software al deze kanalen kunt
combineren dan krijg je een aardig beeld van iemand, die mogelijk jouw potentiële
klant is. Met het gebruiken van deze ongestructureerde data zijn er veel
zakelijke kansen, maar hoe ver mag en kan je gaan?

Veel mensen zijn van mening dat ze niets te verbergen hebben en gedragen
zich als een digitale exhibitionist. Ze zetten hun gehele leven op het net en
vaak ook op het moment dat het gebeurt. Daarmee laten ze sporen na, die
opgepikt kunnen worden door iedereen, dus ook mensen met slechte bedoelingen.
Duidelijk is dat privacy en ethiek nog onontgonnen terreinen zijn in de
digitale wereld. In de opvoeding en op school worden de risico’s hiervan niet
onder de aandacht gebracht; vaak omdat de opvoeders en leraren zelf dit niet
inzien. Toen zij jong waren speelden dit soort risicoafwegingen totaal niet en
in geen enkele leermethode wordt hier melding van gemaakt.

Met een aantal simpele regels voor jezelf kun je een hoop risico’s
vermijden, maar dat laat onverlet dat iedereen alles wat je wel publiek naar
buiten brengt kan gaan combineren (mashups). Dat houdt in dat het dus kan
voorkomen dat een bedrijf, waarvan jij iets wil afnemen, al met een gerichte
aanbieding komt als je jezelf nog maar net hebt voorgesteld. Dat lijkt
overdreven, maar als bedrijven grip krijgen op de ‘big data’ zullen wij als
consumenten veel gerichter worden benaderd. Je ziet het al een beetje op het
internet met banners. De banners bestaan uit reclameboodschappen, die telkens
veranderen. Als je toevallig een offerte voor een nieuwe keuken hebt laten maken
via het internet, zul je zien dat in de banners allerlei keukenaanbiedingen
verschijnen. Deze informatie wordt nu nog afgeleid uit kleine digitale sporen
(cookies) die je achterlaat, maar bij inzet van ‘big data’ komt dit niet meer
direct van jezelf. Ook wat anderen over jou schrijven kan worden ingezet. Dit
kan nog grote consequenties tot gevolg hebben. De gehele reclamewereld zal zich
hierop gaan storten. Niet alleen op internet, maar ook via je mobieltje en de
interactieve TV, die in opkomst is.

Ouderwetse reclames op TV, radio en andere kanalen zullen hoe langer hoe
meer alleen bedoeld zijn om naamsbekendheid te vergroten. Specifieke
productaanbiedingen zullen gericht worden aangeboden. Je ziet het al een met de
‘Appie’ app van Albert Heijn voor iPhone en iPad. Weliswaar worden de
aanbiedingen gericht gestuurd vanwege de door Albert Heijn vergaarde informatie
via de bonuskaart, maar als daar nog alle publieke data bij komt die over jou
als klant beschikbaar is, dan kunnen de aanbiedingen nog meer toegesneden
worden.

Hoe dit zich verder ontwikkelt, zal de toekomst uitwijzen. Maar dat er
ethische vraagstukken en gevoel van privacy- inbreuken zullen ontstaan over het
gebruik van big data is evident. De vraag is alleen hoever de politiek zal
ingrijpen of dat het systeem zal blijken te beschikken over een zelfreinigend
vermogen? We
zullen zien.

Rinus Krijnen

Wet van behoud van inkomen

Dit artikel gaat over telefonie. We staan weer aan de
vooravond van een nieuwe ontwikkeling en de betrokken bedrijven beginnen al
stelling te nemen om dit te gaan financieren. Ook het veranderende gedrag van
de consument dwingt de dataproviders om naar een ander verdienmodel over te
stappen. Want –ondanks de steeds groter wordende behoefte aan allways-online-
dreigen de opbrengsten de kosten niet meer te gaan dekken.
Wat is er aan de hand?

De telefoon heeft er meer dan een eeuw over gedaan om het
grootste deel van de wereldbevolking te bereiken. De laatste stap om dit te
kunnen bereiken is gekomen door mobiele telefonie. Delen van de wereld waren
namelijk met kabels niet te bereiken of veel te duur. Zo zijn Afrika en grote
delen van Zuid-Amerika, maar ook Turkije grotendeels alleen via het mobiele
netwerk te bereiken. Het is zelfs zo dat inheemse stammen in Afrika en
Zuid-Amerika bij GSM-bereik als eerste een mobieltje aanschaffen. Dit is van de
Westerse geneugten nog belangrijker dan koelkast, airco of TV. Het was een feit
dat telefonie schaars was, omdat men aanvankelijk alleen verbindingen kon
leggen met dure kabels. Het aanleggen van kabels is te vergelijken met treinen.
Elk meter die een trein aflegt gaat over infrastructuur die moet worden
aangelegd en onderhouden. Dat blijft geld kosten. Het voordeel van mobiel
dataverkeer is dat je -net als met vliegvelden- alleen aan de uiteinden van het
contactpunt infrastructuur moet aanleggen. Nog steeds kostbaar, maar veel
flexibeler en nauwelijks last van de omstandigheden, behoudens protesterende
dorpsgenoten die hypocriet wel mobiel willen bellen, maar geen mast in hun
achtertuin willen.
De prijzen van “bellen” waren door de dure infrastructuur ook erg hoog in het
begin. Het was simpelweg niet voor de gewone man weggelegd om te investeren in
communicatie. Voornamelijk ook omdat de wereld waarmee de gewone man zou willen
communiceren, dit ook niet kon betalen en dus ook niet deed. Nadat in de
jaren zestig in de vorige eeuw mensen
meer gingen verdienen, werd de telefoon ook meer bereikbaar voor de gewone man.
Niet dat het goedkoper werd, maar de modale mens had meer te besteden.
Nederland, dat goed bekabeld is, had net voor de introductie van de GSM ergens
rond 1991 een telefoondekkingsgraad van meer dan 95% van de huishoudens. En het
was ook nog allemaal in handen van de overheid, de PTT. Daarna veranderde de
wereld snel. Naast de vaste telefoon kwam de mobiele telefoon en ook internet
kwam op. Internet werd aanvankelijk via het telefoonnet afgewikkeld, daarna
volgende via de kabel de digitale variant van ISDN en daarna ADSL en inmiddels
blijkt ook het coax-TV-kabelnetwerk uitstekende internetverbindingen te kunnen
leggen. Ook kreeg de markt nieuwe intreders, waardoor het monopolie van PTT
werd opgeheven. Op het mobiele vlak kon je dus oorspronkelijk alleen dataverkeer
tot stand brengen via GSM, later opgevolgd door GPRS en weer later door zogenaamde
3G-verbindingen: UMTS, HSDPA en HUDPA. Bij elke generatie mobiel datanetwerk moesten
de providers grote investeringen doen in zendmasten, om overal dekking te
krijgen. Daarbij nam de overheid ook nog een graai uit deze pot door de
3G-frequenties tegen woekerprijzen te verkopen aan de providers. Die moesten
hiervoor zo diep in de buidel tasten dat het jaren heeft geduurd voordat de
ontwikkelingen op dit terrein enige omvang kregen. Door puur geluk vanwege het
doorslaggevende onverwachte succes van SMS zijn de providers aan een
faillissement ontsnapt. Met dank aan vooral de jongelui, die de veel te dure
SMS-jes ontdekten als toch een goedkoper alternatief voor bellen. En aangezien
SMS de providers feitelijk niets kost, omdat het asynchroon wordt afgewikkeld
(ofwel in de dalperiodes), bleek dit een ideale melkkoe. Met de UMTS-veiling
heeft de overheid de innovatie zwaar nadelig beïnvloed.

De consument zit niet stil en bedenkt hoe hij zo goedkoop
mogelijk kan bellen of kan internetten.
Mobiel bellen gebeurt nog steeds via GSM, maar dataverkeer gaat nu
mobiel over een 3G verbinding. Het belgedrag van de consument wordt anders.
Communiceren gebeurt via social media (chat) of via een dienst als Skype, waar
je geen gebruik maakt van GSM of een vaste telefoonverbinding. Liefst via WiFi
over het bekabelde breedband internet van de TV- of ADSL-provider; dan zijn de
kosten namelijk nihil en kun je dus grote afstanden telefonisch en soms zelfs
met beeldverbinding overbruggen. Nadeel is nog wel dat het installeren van de
software lastig is en het gebruiksgemak ook nog wel te wensen overlaat.
Gedreven door de veel lagere kosten zie je dat de consumenten dit voor lief
nemen en gaan –gedreven door lagere kosten- hiermee aan de slag. Het belgedrag
wordt minder, terwijl het berichtenverkeer: SMS, Chat, Social media juist sterk
toeneemt. Het oorspronkelijke verdienmodel van de providers was gebaseerd op
vaste telefonie: daar kwamen de grote winsten binnen. Er wordt hoe langer hoe
minder gebruik gemaakt van vaste telefonie, dus men moet wat nieuws gaan
verzinnen om geld te verdienen. Een groot deel van het communicatieverkeer is
verschoven naar dataverkeer (en geen spraak). Ook Skype bijvoorbeeld is geen
spraakverbinding, maar een dataverbinding, waarbij supersnel pakketjes met
gesproken tekst worden getransporteerd. En zelfs de gewone spraaktelefonie gaat
hoe langer hoe meer via het internet; het zogenaamde voice over IP (VOIP). Men
rekent nog wel af per gesprek, maar feitelijk is dit achterhaald. Sommige
providers zien dit wel in, waardoor je gesprekskosten kan afkopen. In het
verleden belde je lokaal tegen een lager tarief dan interlokaal. Lang geleden
had je zelfs voor lokaal tarief alleen een instaptarief en waren er geen
beperkingen aan de gespreksduur. Dat was rap verdwenen toen internet opkwam. De
nieuwste ontwikkelingen bij consumenten zijn dat men allways-on-line wil zijn.
Dat wil zeggen dat de mobiele telefoon, die inmiddels een kleine computer is
geworden, gebruikt wordt om zowel spraak- als dataverbinding te leggen en zelfs
wordt gebruikt als provider voor een WiFi of vaste dataverbinding voor tablets,
netbooks, laptops en PC’s. Dit noemt men tethering. Dit is een doorn in het oog
van providers, want hierdoor heeft men geen grip op hoe de verbinding tot stand
komt. Daarmee kunnen ze grote sommen geld mislopen. De providers willen
diensten zoals Skype en WhatApps afschermen, maar dat wordt met tethering een
stuk lastiger.
Kortom je ziet dat de limieten van de providers en gebruiksmogelijkheden worden
beperkt of aanmerkelijk duurder worden. Zeker als je weet dat momenteel voor
jongeren het mobieltje of PDA onafscheidelijk is, zullen hier grote financiële
problemen ontstaan, als ze er al hierdoor niet waren.

Een tweede reden waarom de providers meer geld nodig hebben
heeft te maken met de invoering van de nieuwe generatie verbindingen waarbij
ook sprake is van breedband op het mobiele netwerk. De nieuwe generatie
verbindingen met de verzamelnaam 4G heet Long term evolution (LTE) en de
hiervoor bestemde frequenties zullen ook door de overheid binnenkort worden
geveild. Als deze veiling financieel net zo uit de hand zal lopen als bij de
introductie van UMTS, dan zullen de kosten voor de mobiele abonnees nog meer
stijgen en zullen er serieuze problemen ontstaan in financiële en innovatieve
zin. Een reddingsboei als destijds de SMS-dienst zal nu zeker ontbreken.

Feitelijk is het een zeer slechte zaak dat de overheid de
frequenties verkoopt voor de hoogste bieder. Deze kosten worden rechtstreeks
doorberekend aan de consument of bedrijf, waardoor het een indirecte belastingverhoging
betreft. En als dat geld dat daarmee nu wordt opgehaald nu besteed zou worden
om innovatieve initiatieven te stimuleren, dan zou ik daar nog niet zo’n moeite
mee hebben. Helaas zal met dit geld wel weer een ander gat in de begroting
worden gedicht, waardoor Nederland op innovatief kennisland weer een aantal
jaren op slot zal zitten.

Rinus Krijnen

De kortste weg naar informatie

Papieren drukwerk staat zwaar onder druk. Boekhandelaren en
uitgevers klagen steen en been over dalende omzetten die in een vrije val
lijken te komen. Zeshonderd jaar is het gedrukte woord op papier de
belangrijkste informatiedrager geweest, maar in deze 21e eeuw lijkt
hier een einde aan te komen.
Daarvoor liggen een aantal redenen aan ten grondslag. In de eerste plaats wordt
de plaats van het woord verruild voor de plaats van het beeld. Kijk in uw
omgeving en zie dat aanwijsborden zijn gewijzigd van tekstborden in iconen. Het
voordeel is dat het beeld universeel is en voor iedere mens toegankelijk,
ongeacht culturele achtergrond, opleiding of taal. Voor het lezen van woorden moet
de mens een taal beheersen. Eigenlijk gaan we met de iconen weer terug naar de
vroege middeleeuwen, waarbij in kerken de belangrijkste Bijbelverhalen al werden
uitgebeeld om ook de ongeletterde mens te kunnen bereiken. Het nadeel bij het
beeld was dat de mens zijn fantasie de vrije loop kon laten gaan, waardoor de
interpretatie van de boodschap naar eigen inzicht kon worden vertaald. Wellicht
ook de reden dat toen de reformatie op gang kwam men in deze kerken afstapte van
deze beelden en men zich uitsluitend via het geschreven woord tot de gelovigen
richtte. Inmiddels was tenslotte de boekdrukkunst uitgevonden en met geschreven teksten kon men de
boodschap nauwkeuriger duiden.

In de moderne tijd zijn het video’s en foto’s die informatie
ondersteunen. Eén beeld zegt meer dan 1000 woorden is een uitdrukking die aangeeft
dat het gebruik van beelden sneller is dan het geschreven woord. En omdat het
steeds eenvoudiger wordt om beelden te maken (met je mobieltje) en het
publiceren op het internet via populaire sites als YouTube, Flickr en Picasa
concurreert het beeld hoe langer hoe meer met het geschreven woord. Dit was
natuurlijk al ingezet in de jaren vijftig met de opkomst van de TV, maar tot
voor kort waren beeld en geschreven woord nog geen concurrenten van elkaar maar
versterkten elkaar. Een boek kon je meenemen als er geen TV in de buurt was en
de TV prikkelde vaak om van een onderwerp meer te weten. En dan moest je het
vaak in boeken opzoeken.
Een aspect wat hierbij ook geldt is dat zowel de op papier geschreven tekst als
de TV eenrichtingsverkeer waren: onveranderbaar voor de kijker of lezer. Je
moest het er maar mee doen als eenmaal iets opgeschreven of op beeld vastgelegd
was. Juist de interactie tussen tekst en beeld brengt sneller en vollediger
informatie tot de mens en met internet en sinds kort interactieve TV is dit de
toekomst.
Het eerste slachtoffer van het nieuwe informatietijdperk werd de encyclopedie.
Vaak een statig ingebonden boekwerk dat als een soort intellectueel
statussymbool in vele huishoudens zichtbaar prominent in de kast stond, bezweek
al in de tweede helft van de negentiger jaren. Duidelijk werd dat de
encyclopedie in boekvorm de veranderbaarheid en de behoefte van een combinatie
van beeld en tekst in het moordende tempo van dit informatietijdperk nooit zou
kunnen bijbenen. Een aantal jaren geleden heeft men daarom besloten alleen nog
maar online-versies te maken van dit eens zo statige, kostbare boekwerk.
Dat “kostbare” is ook een belangrijke reden dat het geschreven woord op papier
kritisch wordt bekeken door de consument en deze consument daarom hoe langer
hoe vaker uitwijkt naar digitale media. Het internet is goedkoop toegankelijk
en heeft een schat aan gegevens, dus waarom zou je een duur boek of tijdschrift
kopen? Bovendien is het via diverse type apparaten over de hele wereld
toegankelijk.

De overload aan gegevens op het internet is –naast
nostalgische gevoelens- de reden dat de mens nu nog erg vaak naar het papier
grijpt. Een boek of papieren tekst geeft zekerheid. Het concurreert niet met
andere informatiebronnen als je het aan het lezen bent. Dat gebeurt op internet
wel. Mensen zijn vaak slecht in filteren van gegevens om te komen tot
informatie en worden door de overload aan gegevens op het internet onzeker en
vervallen daarom in hun vertrouwde patroon. Want wat moeten ze nu geloven? Wie
zijn die lui die al die gegevens publiceren en is het ook allemaal waar? In de
verzuilde wereld van vroeger wist je bij boek of tekst wie de auteur was en tot
welke signatuur deze man of vrouw behoorde. Dat gaf je enige houvast.
Voor velen is internet een digitaal doolhof waar men onzeker van wordt. Het
probleem is dus dat mensen gericht informatie willen ontvangen en niet willen worden
afgeleid door de verleidingen die op internet voorbij komen. Als je in een
zoekmachine een term invoert krijg je een groot aantal hits en hoe langer hoe
meer hebben de hits niet de intentie meer jou een antwoord te geven op je
vraag, maar iets aan je te verkopen en te verleiden iets anders te doen dan je
vraag te laten beantwoorden. Je zou het liefst in één keer zonder zoekmachine
of moeizaam gevonden webadres direct naar de juiste plaats willen waar jouw
antwoord staat.

De oplossing is er en je ziet deze hoe langer hoe meer
worden toegepast, al gebeurt het sluipend. Het is de QR-code, dat staat voor
quick response (snelle reactie). Het is een klein vierkant plaatje, verdeeld in
kleine blokjes waarmee je door dit te scannen met je mobieltje, iPAD2 of te
fotograferen, en daarna te scannen, je direct naar een webadres of een tekst op
het internet wordt geleid. Deze tweedimensionale QR-codes zie je nu al vaak op
posters, in tijdschriften, visitekaartjes, bij advertenties en op vele andere
plaatsen. De code is in 1994 door het Japanse bedrijf Denso-Wave voor Toyota
ontwikkeld en mag –ondanks het patent- door iedereen gebruikt worden. Als je
dus een mobiel apparaat bij je hebt met een camera, waarop een QR-scanner is
geïnstalleerd en waarmee je op internet kunt, dan word je bij het richten van de camera op de
QR-code op dat moment direct doorgeleid naar een tekst of een website waar een
verdieping staat over het onderwerp. Dat kunnen recensies, specificaties,
historie, of noem maar op zijn. Op alle moderne PDA’s is deze software
geïnstalleerd of kun je het installeren. Je kunt dus instant informatie
ontvangen die veel verder gaat dan op de klassieke manier van
informatieverstrekking, zoals brochures en folders. Het is een vorm van “Just
in time” informatie en bevordert gegarandeerd impulsinkopen. Afgezien dat het
veel sneller en completer is dan wanneer je op internet achteraf naar de
informatie gaat zoeken is de informatie ook veel goedkoper om te maken voor de
aanbieder. Het laten afdrukken van een QR-code in een tijdschrift of in een
krant is veel goedkoper dan advertentieruimte kopen. Bovendien hoeft de
aanbieder de informatie maar op één plek aan te bieden en dat is op zijn
internetpagina, met wellicht nog een extra versie op een mobiele
internetpagina. Veroudering van brochures is niet meer aan de orde. Je kunt
realtime de websites bijwerken dus de QR-scansoftware verwijst altijd naar de
meest actuele plaats. Dit scheelt enorm veel drukwerk. En drukwerk is duur: het
verbruikt papier en inkt, het heeft ontwerp- en logistieke kosten en bovendien
is het vaak al verouderd op het moment dat het gedrukt wordt. Daarnaast belast
papier, inkt en logistiek het milieu enorm.

Vooral bij de jonge generatie, die veel meer gewend is met
digitale media om te gaan, veel meer direct antwoorden wil en geen zin meer
heeft om hoge kosten te maken om informatie te verkrijgen, zal een effectieve
toepassing van QR-codes zeker aanslaan. Voor bedrijven die ‘maatschappelijk
verantwoord ondernemen’ in hun doelstellingen hebben staan, is het ook een
terrein waarop nog veel te verdienen valt. Dure brochures, voorwaarden en
folders kunnen instant worden opgevraagd en voorkomen distributie en
vermenigvuldiging van steeds dezelfde informatie.

Het is nog wel zaak dat de wereld deze methode gaat snappen.
Dat betekent dat niet alleen een innovatief bedrijf dit moet gaan vertellen,
maar dat er grootschalige mondiale of in in ieder geval landelijke communicatie
gaat plaatsvinden om mensen deze weg te laten vinden. Als dit echt aanslaat kan
dit enorme consequenties hebben. Maar de weg is sluipend al ingeslagen, er is
geen weg terug.

Natuurlijk zullen er mensen zijn die zeggen dat papier
fijner aanvoelt, een boek zo lekker ruikt, dat letters op papier rustiger lezen
dan van een scherm en dat het prettig is dat je geen batterijen of verbinding
nodig hebt om van papier te lezen, maar dit zijn tijdelijke beperkingen, die in
rap tempo zullen worden opgelost.
Drukwerk zal de komende jaren explosief duurder worden: de oplagen zullen
kleiner worden, maar de kosten blijven nagenoeg gelijk of worden zelfs hoger.
De marges komen daardoor onder druk te staan en het aanbod zal worden beperkt.
Uiteindelijk verdwijnt de industrie na zes eeuwen. De eerste barsten zijn nu al
te voelen.

Rinus Krijnen

Apps & Tablets

Inmiddels niet meer weg te denken voor de eigenaar van een
pda (telefoon met internet) en tablet is de app. App staat voor application
-toepassing- en geeft je toegang tot een stukje software, waarmee je iets op je
apparaat kan uitvoeren. Dat kan een spel zijn, nieuws opvragen, een tijdschrift
lezen, foto’s bekijken, video…Noem maar op, je kunt er van alles mee. Er zijn
twee soorten apps. Apps die zogenaamd solitair werken en geen
internetverbinding nodig hebben om te werken en apps waar een interactie nodig
is waardoor internet wordt aangesproken. Deze laatste apps zijn vaak
toepassingen die live informatie opvragen en waarvan een hoge actualiteit wordt
verlangd. Voorbeelden hiervan zijn nieuwssites, maar ook een bankapp, of een
app van een webwinkel om iets aan te schaffen. Op dit moment zijn er drie
belangrijke platformen waarop apps worden ontwikkeld. De grootste is nog Apple,
op de hielen gezeten door Google’s Android en op gepaste afstand gevolgd door
RIM (Blackberry). Microsoft Windows doet nog niet serieus mee, maar mogelijk
mengt die zich nog in deze strijd als samen met Nokia Windows-8-mobile
beschikbaar komt.

Ook de tablet is aan een echte opmars begonnen. De iPAD werd
aanvankelijk een beetje meewarig ontvangen begin 2010 als een soort te grote
iPhone waarmee je niet kan bellen, is inmiddels de opmars onstuitbaar.
Koppelingen tussen PDA’s en tablets staan op het programma, waarbij de tablet
eigenlijk de monitor en het swipescherm is van de PDA. Swipen, de kanshebber
voor het nieuwe woord 2011 binnen het Nederlandse taalgebied, is het met de
vinger bewegen op het scherm van tablet of PDA waardoor het scherm wisselt, en
daarbij bijvoorbeeld een pagina wordt omgeslagen. Vele merken hebben nu tablets
of zijn tablets aan het ontwikkelen, meestal uitgevoerd met het Android
besturingssysteem van Google. Een tablet kent een scherm tussen pakweg 7 en 10
inch, waardoor je door de mooie resolutie en inkijkhoek goed teksten kunt lezen
en interactie met de vingers geen enkel probleem is.

Dat ziet de markt ook. In grote getale komen de apps over
ons heen. Succesvol begonnen met games, zoals Angry Birds, zie je nu dat de app
ook andere media zal gaan verdrijven.
Helemaal zal dat niet lukken, maar als het lezen vanaf een tablet geen
belemmering meer is vrees ik toch het voortbestaan van veel gedrukte tekst.

Neem nu de krant. Ik ben al tientallen een tevreden klant
van BN De Stem. Via internet kon je al wel wat nieuwsflashes inzien, maar een
app, waar de krant van vandaag kan worden aangekocht ontbrak nog in het
assortiment. Toevallig had ik er deze week nog aan zitten denken. Niet voor
niets, want de bezorging van de klant is de laatste week zeer belabberd. Pas om
half negen kleppert de brievenbus en dat is voor mij te laat. Ik moet vroeg
beginnen en ben al jaren gewend vooral even met de krant in de weer te zijn. Ik
dacht: als ik nu een app had op mijn iPAD waarmee ik de krant kan downloaden,
dan had ik toch mijn krantje op tijd. Bovendien zou dit betekenen dat ik minder
oud papier heb en het ding ook onderweg kan lezen. Mijn gebed is inmiddels
verhoord, want sinds vandaag kun je dus een BN DeStem downloaden. De kosten
zijn vergelijkbaar met een los exemplaar van de papieren versie en voorlopig is
er nog geen echte uitbreiding van functionaliteit, maar dat gaat nog komen,
wordt er beloofd. Een groot voordeel van de app is bijvoorbeeld dat
slechtzienden door het vergroten van de letters minder moeite zullen hebben om
de krant te kunnen lezen. Daarmee zou ik mijn papieren versie kunnen opheffen,
maar ik hoor nog gesputter van mijn vrouw, die toch ook wel eens de krant wil inzien
en de krant gebruikt om de cavia’s van vloerbedekking in hun kooi te voorzien.
Maar dit verzet zal tijdelijk zijn, schat ik in. Zeker als straks de
verrekeningen van apps niet alleen maar gaan via de app-store maar ook direct
kunnen worden afgerekend zal de prijzenoorlog pas echt starten en de app nog
meer prijs gaan winnen op het papier. Door afrekening met de leverancier kan
men abonnementen gaan introduceren en zal het verdienmodel van Apple of Google
moeten wijzigen. Nu brengen ze nog voor elke aankoop in de app-store een deel
van de verkoopprijs in rekening. Dat zal men niet vol kunnen houden.

Een doorn in het oog van ICT afdelingen die apps moeten
ontwikkelen is dat een app erg lijkt op een techniek die in de jaren 90 zijn
hoogtepunt kende en dat was het client-server model. Je zet een klein ding op
je PC en verbindt de PC aan een server om de data uit te wisselen. In principe
werkt een app ook zo. Na de jaren 90 kwam bijv. cloudcomputing op, waarbij niets
meer op de PC staat (alleen een browser) en waar alle functies door de server
worden uitgevoerd. Een techniek waar sterk in wordt geloofd door de ICT-wereld,
omdat het niet gebonden was aan plaats en platform. Maar met die apps zijn we
een beetje terug bij af en hebben dan ook weer dezelfde type problemen als in
de jaren 90. De apps moeten per platform (Android, Apple, RIM, Windows) worden
ontwikkeld en worden gedistribueerd en het kent een complexe beheerstructuur
bij verandering. De marketeers vinden de apps het einde, maar de ICT-ers halen
hun wenkbrauwen op bij deze wegwerparchitectuur. En omdat er nog geen zicht is
op altijd aanwezige draadloze bandbreedte, zal het nog wel een tijdje duren
voordat we de apps ook in de cloud kunnen plaatsen.

De komende twee jaar zal de tablet volledig doorbreken en op
veel plaatsen de PC en laptop zelfs verdringen. Daarmee zullen nog meer
discussies ontstaan of de traditionele papieren communicatievormen niet hun
langste en in ieder geval belangrijkste tijd hebben gehad. Ook argumenten als
hogere effectiviteit van de digitale boodschap en lagere CO2 productie van de
nieuwe media zullen een rol gaan spelen bij de opmars van de app.

Huren of kopen?

Vroeger kocht je software en tegenwoordig is het hoe langer hoe vaker alleen het gebruiksrecht wat je koopt. Dat wordt in de nabije toekomst nog verder doorontwikkeld. In dit artikel beschrijf ik de ontwikkeling en de gevolgen van dit nieuwe verdienmodel van de particuliere software-industrie.

Als je in de jaren 80 een PC kocht was het ding geheel van jezelf. Je kocht hardware – meestal een desktop of tower-, die voorzien was van standaard software zoals een dos- of windowsversie, die je soms nog apart moest aanschffen. Meestal wist je wel een kennis of vriend te vinden, die je verder kon helpen met de toenmalige standaarden wat betreft tekstverwerking: WordPerfect en spreadsheet Lotus 1,2,3. Betalen daarvoor werd in de regel niet gedaan. Was je meer gericht op het maken van bestandsprogramma’s dan kwam ook dBASE III langs. Verder kon je op diskettes (slap 5,25 inch of hard 3,5 inch) programma’s kopen of uitwisselen. De CD-Rom kwam ook langzaam op. Niemand kon nog controleren of de software legaal of illegaal was. PC’s waren niet verbonden met netwerken zoals internet, dus niemand kon ook checken of je de spullenboel op je PC wel zelf had aangeschaft of had gekopieerd van anderen. En dat betekende dat de softwareleveranciers en -producenten met lede ogen aanzagen dat hun handelswaar alsmaar illegaal doorgekopieerd werd. De situatie was daarmee vergelijkbaar met muziek die ook alsmaar gekopieerd werd. Voor de muziekindustrie betekende dit dat de muziek-CD weliswaar minder verkocht werd dan zou moeten, maar de verspreiding groter werd. Door de grote verspreiding werd ook de populariteit van de artiest groter, wat uiteindelijk toch betekende dat er meer omzet gedraaid werd, bijvoorbeeld met optredens. Bij software trad eenzelfde effect op, maar bij muziek is het toch wel wat anders dan met software. Het grote verschil is dat software wordt doorontwikkeld, terwijl een muziekstuk af is als het op de CD staat. Daardoor heeft kopiëren van software alleen maar zin als je PC kan werken met het programma. Zowel hard- als software ontwikkelen snel. Heb je een programma dat je op een PC wil draaien, blijkt de PC te nieuw of te oud. Je moet dus meegroeien wil je de toepassingen nog kunnen blijven gebruiken. Dat betekent dus bijblijven –upgraden. In de praktijk kocht je dan weer een nieuwe (update-)versie, die je dan weer aansloot op de beschikbare hardware, een PC of een laptop. Nog steeds werd er vrolijk doorgekopieerd. Met de komst van internet veranderde het koopmodel. De softwareleveranciers kregen een middel in handen om in contact met de klanten te komen via je software. Je kon nu software kopen – dus eigenaar zijn – als je een sleutel registreerde, die uitsluitend voor jouw computer het programma opende. Dit ging ook weer even goed tot er zogenaamde “cracks” werden verspreid om de sleuteladministratie om de tuin te leiden. Telkens is het een kat en muisspel, waarbij de inzet is: hoe kom ik gratis aan dure software. Iedereen zou moeten weten dat het illegaal is, maar heeft simpelweg het geld er niet voor over om relatief weinig gebruikte programma’s duur te kopen. Als je alle geïnstalleerde software legaal zou aanschaffen zou dit een zeer forse aanslag zijn op je portemonnee. Sommige industrieën, zoals de muziekindustrie, hebben de handdoek zowat in de ring gegooid. Werd een jaar of tien geleden een CD gekocht, dan had je een goede kans dat deze copy-controlled was; dat betekende dat je de CD op sommige spelers niet kon afdraaien zonder dat je allerlei fouten kreeg en bij het kopiëren er allerlei “snotjes” te horen waren. Er was hier veel kritiek op en op een gegeven moment werd dit niet meer toegepast. De verkoop van de CD is wel dramatisch gedaald, al is de kwaliteit beter dan van zijn opvolger: AAC, WMA of MP3. AAC, WMA’s en MP3’s worden verkocht via internet en vaak betekent dit dat er een beveiliging op zit. Bij Apple kun je voor €1,29 een nummer kopen (een cd-single is 3x zo duur). Je koopt dan eigenlijk niet de single maar het recht om dit nummer op 5 pc’s te mogen verspreiden. Dat is niet klantvriendelijk. Als je drie pc’s in huis hebt en alle drie worden een keer vervangen, moet jij de rechten maar eens zien over te zetten. Gevolg: zo gauw ik iets op iTunes koop, maak in hetzelfde iTunes er een MP3-kopie van. Einde probleem. Een ander drama is DRM, het digital rights management. Als je een WMA bestand koopt krijg je evenals bij het AAC-bestand van Apple beperkte rechten. Het gevolg van al deze beperkingen is dat het loont om illegale kopieën te maken. Daar heb je geen gezeur over, zelfs al ben je zelf of je gezin de enige gebruiker.

Het verhaal van de AAC en WMA bestanden alsmede van de software die via internet worden gedistribueerd is, dat je eigenlijk de rechten niet koopt, maar huurt. In zo’n geval krijg je nog wel een bestandje op je PC dat je kunt gebruiken, maar telkens checkt de software of je wel de legale gebruiker bent. Nog steeds kunnen slimme cracks helpen om dit proces om de tuin te leiden. Dit is een doorn in het oog van de uitgevers. Sinds kort zijn hier ook eBooks bij gekomen, die hetzelfde probleem kennen als muziek.

Maar het gaat verder. Stel dat je legaal een muziekstuk hebt gekocht en een YouTube-filmpje maakt. Je publiceert een filmpje met dat legale (betaalde) muziekje er onder. Binnen vijf minuten na publicatie geeft YouTube al aan dat op jouw filmpje materiaal staat dat auteursrechterlijk beschermd is. Het klopt ook, want wat je wellicht niet weet is dat de muziekrechten die je met een CD koopt zich beperken voor eigen gebruik. Buiten jouw eigen kring moet je toestemming hebben van organisaties als BUMA/STEMRA of de artiest. Het ontdekken van het feit dat je deze muziekfragmenten hebt gebruikt kan men opsporen door scanning. Je hebt bijvoorbeeld een iPhone-applicatie (Shazam-App) waarmee je een muziekstuk kort kan scannen en waarop je iPhone aangeeft om welke artiest en welk nummer het gaat. Door deze patroonherkenning toe te passen is heel snel auteursrechterlijk materiaal te herkennen. Met dit mechanisme in het achterhoofd zal het makkelijker worden om vast te stellen of je aan de regels voldoet.
De volgende stap is dat we geen software meer kunnen kopen, maar slechts beschikbaar krijgen vanuit “The Cloud”. Cloudcomputing betekent dat je eigenlijk niets meer bewaart op je PC, maar met een browser zoals Internet Explorer, Safari, Google Chrome of Firefox benadert. Dat betekent dat je altijd online moet zijn om iets te kunnen doen. Cloudcomputing is dus erg afhankelijk van de beschikbaarheid van internet. Die moet 100% zijn en bovendien moet je ook een behoorlijke bandbreedte hebben om dit te kunnen. Vandaar dat cloudcomputing zich nu nog vaak beperkt tot de bestanden. Maar het idee is dat je in dit geval het gebruiksrecht van software en data gaat huren. Het voordeel is dat je nooit meer hoeft te zoeken naar updates. In principe zou je altijd met de laatste versie kunnen werken. Ook hier zullen nieuwe businessmodellen ontstaan om software aan de man te brengen.

Een andere ontwikkeling is de Apps-ontwikkeling. Op de mobiele platformen van Apple, Android en Windows Mobile zijn Apps – applications of toepassingen- te downloaden. De kosten zijn laag, vanwege het enorme bereik van de apps. Het voordeel is dat de apps bijna voor iedereen toegankelijk zijn en vanwege de lage kosten nauwelijks drempels opwerpen om aan te schaffen. Het blijkt een goudmijn. Kijk naar het succes van een app als Angry Birds, die voor een beperkt bedrag is ontwikkeld en nu voor miljoenen op de beurs is gelanceerd. De kosten van het programma in de dure versie € 2,39. Mensen raken op deze wijze gewend aan het betalen voor software, maar vooral omdat het betaalbaar blijft. Als apps slim zijn ontwikkeld zit er ook een vorm van controle van verspreiding in verwerkt, zodat op enig moment de app opnieuw moet worden aangeschaft als er sprake is van een update.

De consumenten vinden de professionele programma’s van vele honderden of duizenden euro’s veel te duur en daardoor zullen ze altijd proberen de programma’s illegaal te verkrijgen. Sommige softwarebedrijven snappen dit en verlenen tegen een aantrekkelijk tarief voor medewerkers van bedrijven een thuiswerklicentie.

Nog een ontwikkeling die hier op lijkt is video on demand. Op je TV huur je een film, zonder uit je luie stoel te komen. Met een code kun je een film binnen een bepaald tijdsframe activeren. Ook een voorbeeld van huren. Het ziet er naar uit dat een dergelijk model ook gekozen gaat worden voor digitale boeken in de vorm van digitale bibliotheken.

Kopen is uit, huren of gebruiken is in. Is dit een goede ontwikkeling? Zolang de consument bereid is te betalen wel. Zo niet dan gaat de marktwerking werken en gaat de prijs gewoon omlaag. Als de consument van mening is dat hij waar voor zijn geld krijgt, zal hij het nieuwe verdienmodel accepteren; zeker als men gebruik kan blijven maken van de nieuwste versies.

Rinus Krijnen

Virtueel shoppen en bezorgen

Webwinkelen is populair en zal de komende jaren nog veel populairder worden. Door het toegenomen vertrouwen van de consument en de betrouwbare logistieke ketens is dit vertrouwen de afgelopen jaren sterk toegenomen. Vooral met het veilig betalen via bijv. iDEAL, Creditcards met pincodes en PayPal is de schroom weggenomen om via internet iets te kopen. Door deze toename zal ook de pakketbezorging in een stroomversnelling terecht gekomen. Dat lijkt nu nog redelijk goed te gaan. Maar, is er dan niet iets te verbeteren? Ja, het kan veiliger, vertrouwder meer verantwoord, mogelijk nog vlugger en vooral voordeliger.

Hoe langer hoe meer weten de consumenten internet via PC of mobiel te vinden om aankopen te doen. Was men tot voor kort nog huiverig of de bestelde goederen wel aankwamen of de betaling wel goed ging en was men bezorgd hoe het zou zitten met de after sales-service; inmiddels lijkt de schroom te zijn weggenomen en is het consumentenvertrouwen aanzienlijk gestegen. De omzetten stijgen jaarlijks met flinke sprongen en dat zal zich ook doorzetten. Voordelen van webwinkels zijn grofweg: groter aanbod, goedkoper, overal te benaderen en snel geleverd. Het aanbod is groter omdat de etalage de website van de leverancier is en mondiaal te benaderen is. Of je nu in een garagebox zeer specifieke handwerkjes maakt of een magazijn vol met retailgoederen hebt: de webwinkel – mits goed marketingtechnisch aangepakt – kan zeer succesvol zijn.
Goedkoper is het ook. De consument kan hetzelfde internet gebruiken om prijzen te vergelijken en ook vaststellen of de goederen leverbaar zijn. Ook hoeven retailbedrijven geen dure winkelruimte in de steden te huren om een spullen te etaleren; wel zal men meer moeten investeren in webmarketing. Daarnaast is internet overal en met behulp van mobiel, PDA, modieuze kleine tablet-PC’s en de vertrouwde computer kun je vlot je bestelling uitvoeren.

De bottleneck is de levering van de goederen. De websites beloven dat wanneer je voor een bepaald tijdstip je goederen bestelt, je het de volgende dag in huis hebt. En vaak is dit ook waar. De volgende dag stopt er een koeriersdienst voor de deur met een pakje voor je. Maar helaas, je was niet thuis….

Logistieke keten huidige dienstverlening

Om jouw bestelde product bij jou thuis te krijgen gaat er heel wat overheen. De aanbieder verpakt het bestelde goed en brengt het naar zijn vertrouwde distributeur. Afhankelijk van de distributeur dient het product in een standaardverpakking te zitten en wordt de prijs van de zending bepaald door het gewicht, de omvang, de waarde van de goederen en de snelheid van bezorging. Voor het laten bezorgen van de pakketjes rekent de webwinkel een bepaalde toeslag op de website. Vaak is dit een breekpunt voor de verkoop. Als de leverancier de werkelijke kosten van het verpakken en bezorgen van producten transparant in rekening zouden brengen, zouden de consumenten schrikken van de kosten en mogelijk alternatieven gaan zoeken voor het te leveren product. Vaak worden de kosten minder transparant in beeld gebracht –kortom het product wordt duurder- en afgedaan met een vast bedrag per zending tot een bepaald gewicht. Daarmee wil de webwinkel de consument verleiden om meer tegelijk te kopen: de verzendkosten zijn tenslotte gelijk. Daarmee lijkt het voordeel van webwinkelen voor erg goedkope producten te zijn weggenomen. Het is dus van belang dat de kosten voor het bezorgen echt laag zijn, om de marges voor de leverancier te vergroten en de drempel voor de consument te verlagen.

Eenmaal het te leveren goed afgeleverd bij de distributeur, wordt het pakketje voorzien van een sticker –vaak met barcode of RFID-chip- en de gegevens ingevoerd in het geautomatiseerde logistieke systeem van de distributiepartner. waarin de condities: spoed, traag, verzekerd, niet-verzekerd, afzender, de te verrekenen kosten en het bezorgadres staan vermeld. Het kan ook zijn dat de webwinkelier zelf deze gegevens al thuis kan invullen. Met deze geautomatiseerde invoer wordt het tracking & tracingsysteem (volgsysteem) van de distributeur gevoed en als het een compleet, modern systeem is, waarbij de webwinkelier zelf toegang heeft tot dit systeem, kan de eindklant het gehele bezorgproces volgen via internet, door het verkrijgen van een “tag” (een linkje naar je bestelling) bij de bevestiging van de bestelling.

Vaak is de bezorgtijd zo kort dat de consument deze tag niet zal volgen, omdat meestal het pakketje er al is voordat hij op internet heeft kunnen kijken.

Als het product bij de leverancier ligt zal het automatisch gepland en ingedeeld worden in een bezorgroute. De pakketjes worden verdeeld naar welk distributiecentrum ze moeten worden gebracht. Meestal worden deze goederen van het ontvangstpunt (ook vaak een distributiecentrum) vervoerd met vrachtwagens naar het distributiecentrum van de bestemming. Daar worden de goederen ingedeeld in bezorgroutes en overgeslagen in bestelbussen. De bestelbussen rijden door stad en dorp en bezorgen de artikelen. De administratieve afwikkeling om te komen tot deze indeling zal meestal geheel geautomatiseerd plaatsvinden binnen het logistieke systeem van de distributeur. Het kan ook zijn dat de feitelijke bezorging wordt uitbesteed aan een lokale koeriersdienst. Deze lokale koeriersdienst heeft meestal ook toegang tot het logistieke planningssysteem van de distributeur en kan zo bij bezorging in het systeem inbrengen dat de taak is volbracht. Als de klanten moeten tekenen zal dit met gescande of elektronische bewijslast in de vorm van de handtekening van de klant plaatsvinden. Vaak zijn de bezorgsystemen hierop al ingericht en worden deze documenten gekoppeld aan de tag van de levering.

Tot zover de happy flow, waarbij alle partijen perfect handelen conform de verwachtingen. Binnen deze keten zijn er natuurlijk ook uitvalprocessen, zoals vermissing, beschadiging, verkeerd bezorgd en “niet bezorgd”, want u -als klant- was niet thuis… Van de overige uitvalprocessen zijn in de moderne logistieke systemen oplossingen geïmplementeerd. Ook voor het niet thuis zijn van de klant. Maar was het niet veel handiger als u als klant of distributeur niet van dit laatste proces afhankelijk was?

Niet thuis…

Onze maatschappij, die hoe langer hoe meer van de mensen verlangt, is er niet meer op ingesteld dat er altijd iemand thuis is. Ook al wordt telewerken hoe langer hoe meer gestimuleerd: een groot aantal banen lenen zich niet voor thuiswerken. Daarbij komt dat mannen en vrouwen beiden werken en het huis dus onbeheerd achterblijft. Komt dus de bezorger van een pakketje aan uw deur, dan zal hij constateren dat hij dit niet kan leveren. Dit overkomt mij bijna bij elke bezorging. Als het pakketje geen grote waarde vertegenwoordigt, wordt het vaak bezorgd bij één van uw buren en krijgt u een briefje in de bus op welk huisnummer het pakketje is bezorgd. Maar wilt u dit wel als klant? Wilt u dat uw buren worden belast met uw virtuele koopdrift? Het is meestal ook nog zo dat duidelijk is aan het pakketje waar het vandaan komt. Wellicht vindt u dat uw buurman dit niet hoeft te weten. En mogelijk staat u niet op goede voet met uw buurman en is het maar de vraag of hij uw pakje wel wil afgeven. Zelfs het bezorgen van pakketjes kan op deze wijze een inbreuk zijn op de privacy van u als klant.

Als het pakketje niet bij buren wordt afgeleverd, wordt het op een later tijdstip opnieuw aangeboden. De bezorger geeft schriftelijk aan wanneer, maar dit betekent vaak dat het tijdstip van de nieuwe bezorgingspoging weer komt te liggen op een moment dat het u niet uitkomt.
Vaak is dit dan ook pas de volgende dag en is daarmee de beloofde levertijd van 24 uur niet gehaald, waarbij de klant mogelijk in de problemen komt, omdat hij met deze levertijd rekening heeft gehouden. Ook wanneer u moet tekenen voor ontvangst, dan is uw aanwezigheid bij bezorging een must. Men tracht vaak just-in-time principes toe te passen door aan te geven tussen welke tijdstippen het product wordt bezorgd, maar dit stelt hoge eisen aan de logistiek en is kostbaar. Ook het meerdere keren aanbieden van pakketjes is een kostbare zaak en vaak ook frustrerend.
Soms moeten artikelen zelfs uiteindelijk worden opgehaald in vage distributiecentra op industrieterreinen of wordt het pakketje als onbezorgd bij de leverancier terug aangeboden, waardoor het gehele proces opnieuw moet starten.

Dit moet anders….

Het nieuwe bezorgen

Duidelijk is dat het thuis bezorgen perfect lijkt als het via de happy flow gaat. Maar is deze flow wel zo happy?
Door het steeds groter wordende aanbod van pakketjes rijden er in binnensteden en centra van dorpen hoe langer hoe meer busjes rond die her en der een bezorgpoging doen en vaak het verkeer ophouden in smalle straatjes. Ervan uitgaande dat één op de drie pakketjes niet kan worden bezorgd wordt er veel onnodig tijd besteed, maar ook CO2 uitstoot geproduceerd zonder een effectieve afhandeling. Is dit wel maatschappelijk verantwoord?

Ogenblikkelijk zegt u: dat is toch niets nieuws. Ook nu zijn er al distributeurs die bezorgen bij winkels, waar u de goederen kan ophalen. Het nadeel van deze vorm is, dat blijkt dat de winkels dit als neventaak zien en bij een te grote inbreuk op de primaire bedrijfsvoering (tijd, ruimte) ook weer gemakkelijk afstoten. Deze distributiepunten zijn ook nauwelijks of niet herkenbaar in het straatbeeld en vooral als de klanten hun spullen niet komen ophalen of bij retourzendingen heeft de winkel er veel werk mee. Vaak liggen deze distributiepunten midden in het centrum, waardoor de klant zijn auto (duur) moet parkeren en soms een eind moet lopen. De vraag is ook of het wel vertrouwd is. Er worden lage eisen gesteld aan de beveiliging van het proces, de distributiepunten zien dit als een neventaak en zijn vaak niet goed geïnstrueerd en handelen op basis van vertrouwen, wat nergens op gebaseerd is.

Bij het nieuwe bezorgen gaan we uit van een just-in-place benadering. Het geautomatiseerde distributiecentrum ligt op een strategische plaats ten opzichte van de bewoning, dat wil zeggen aan een centrumring of rand van een dorp, waarbij een vorm van drive-in wordt toegepast. De klant rijdt het terrein op van het distributiepunt, haalt zijn spullen op of brengt ze weg en rijdt via de uitgang weer de straat op. Dit kan ook met de fiets, brommer of anderszins. In kleine gehuchten kan een plaatselijke buurtwinkel worden uitgebreid om deze rol te vervullen.

Wat is hier nieuw aan?

Het nieuwe is dat men geen gebruik maakt van een loket waar men met een briefje iemand wegstuurt om een pakketje uit het magazijn te halen, maar dat er in een 16 uur per dag geopend afhaalcentrum lockers zijn die de klant zelf bedient. Deze lockers zijn voorzien van een unieke elektronische sleutelcombinatie die werkt op de invoer van de klant. Deze locker lijkt op een postbus, waarbij de medewerker van het afhaalcentrum de pakketjes verdelen over de lockers (via geautomatiseerde aanwijzingen) en de klant met een elektronisch beschikbaar gestelde sleutel eenmalig toegang heeft tot de locker.
Er wordt in dit systeem uitgegaan van standaard formaten voor bezorging. Er zijn dus grotere en kleinere lockers. Het afhaalcentrum is bijna onbemand en wordt met camera’s bewaakt. De medewerker(s) hebben als taak om de pakketjes te ontvangen van de distributeurs en te verdelen over de lockers, retourzendingen in ontvangst te nemen, en te versturen goederen van (kleine) aanbieders in standaardverpakkingen in te nemen en te administreren. Deze laatste maakt van het afhaalcentrum ook een centraal innamepunt voor distributeurs als bijvoorbeeld UPS, TNT en DHL. Zeker met het verdwijnen van de postkantoren is deze dienstverlening versnipperd geraakt.

Hoe werkt het?

De klant selecteert het product of producten in de webshop en rondt de verkoop af. De webwinkel zou op basis van de bestelling aan kunnen geven wat de standaardkosten zijn van levering. De verzendkosten worden echter los verrekend (zoals bij de postzegel). Met de laatste stap opent de klant de link naar de toepassing met leveringscondities en -kosten. De webwinkel is hierbij aangesloten bij de distributeur die dit op deze wijze verzorgt. Hij heeft hiermee een contract. De webwinkel geeft vanuit haar assortiment aan de software van de distributeur door hoe groot en zwaar de verpakking is, het factuuradres en de contactgegevens van de klant. De webwinkel maakt de bestelling verzendgereed en bezorgt de verzending bij het distributiecentrum.
De klant maakt het verkoopproces af door de bestelgegevens aan te vullen. Zo kan hij het artikel ook verzekeren of de garantie uitbreiden. De klant krijgt een mail ter bevestiging. In deze mail wordt ook een barcode gepresenteerd. De klant kan ervoor kiezen dit af te drukken en mee te nemen om de locker te openen, wanneer hij via SMS of mail een bericht heeft ontvangen dat hij het product kan afhalen. Hij kan er ook voor kiezen het verzendnummer in te tikken op de locker.

Uiteraard zijn er ook services mogelijk om het pakket te laten bezorgen. Tegen meerprijs is dit met de distributiepartij te regelen. Daarvoor gebruikt de klant de verzendcode om dit met de distributeur te regelen.

Niet afhalen

Het kan voorkomen dat de klant het pakketje niet afhaalt. Er dient een periode te worden aangehouden tot wanneer een klant in de gelegenheid krijgt om de pakketjes op te halen, bijvoorbeeld twee weken. Vanaf dat moment zorgt het distributiecentrum dat het pakketje wordt teruggestuurd naar de webwinkel door een opdracht aan de vervoerder te verstrekken. De klant krijgt hier ook een melding van via SMS of mail.

Voor- en nadelen

De grote uitdaging wordt het vinden van een financier en het aangaan van allianties met vervoerders, softwarebedrijven, webwinkelorganisaties en een verzekeraar. Het is een complexe keten van bedrijven.

We gaan ervan uit dat door de besparingen in het bezorgproces de kosten van de bezorging kunnen worden verlaagd, de transparantie van kosten zal toenemen, de foutkans kleiner wordt en de tijdigheid van bezorging voorspelbaar wordt.
Een ander voordeel is de uitstoot van CO2 en fijnstof in dichtbebouwde gebieden. Doordat er veel minder koeriers in stad en dorp rijden zijn er in de woongebieden minder verkeersbewegingen nodig. Het ophalen van de spullen bij de strategisch geplaatste afhaalcentra door de klant kan worden gecombineerd met de dagelijkse boodschappen.

Het nadeel van dit proces is het feit dat er feitelijk geen sprake meer is van een deur tot deur bezorging en de levertijd daardoor licht langer kan worden in bepaalde situaties. Ook zullen mensen een stap extra moeten doen om hun pakketjes te ontvangen. De klant krijgt daarvoor wel een voorspelbaar, transparant en veilig voortbrengingsproces aangeboden. De kosten van het proces zijn lager en mogelijk betekent dit een lagere consumentenprijs. Bovendien krijgt de klant er een herkenbare plaats voor terug waar de logistieke handelingen worden verricht.

De webwinkel heeft minder werk en meer inzicht in het bezorgproces. Bovendien kan hij de kosten transparant tonen. Door de lagere verzendprijzen zou de webshopwinkelier concurrentievoordeel kunnen halen. Het is waarschijnlijk een tijdelijke winst, wanneer ook de concurrentie merkt dat hiermee voordeel te halen is. De webshop kan zich ook afficheren als een maatschappelijk verantwoorde onderneming door het vermijden van bestelvervoer door de stad of centrum.
Doordat het proces voorspelbaar is krijgen de klanten een realistische levertijd voorgeschoteld.

Een nadeel is dat de webwinkel zijn processen en systemen zal moeten aanpassen om te kunnen werken met dit distributiesysteem. Het is belangrijk dat de keten werkt en blijft werken en goed past in de webwinkelsoftwarepakketten. Met de belangrijkste leveranciers van webwinkelsoftware zullen dan ook afspraken gemaakt moeten worden hoe de systemen te koppelen.

Als de distributeur nu dezelfde vervoerder is die ook de pakjes thuis bezorgt, dan valt er hier werk weg. Dit is wel het arbeidsintensiefst en een duurste onderdeel van de keten, wat tevens de zwakste plek is en de marges marginaal zijn door vele dubbele handelingen, zoals opnieuw aanbieden.

Verder zijn er voordelen doordat de afhaalcentra gecentraliseerd geplaatst zijn, maar wel goed bereikbaar en daardoor extra overslag niet noodzakelijk is.

Conclusie

Als pakketbezorging volledig geautomatiseerd vanaf de webshop tot bezorging transparant, vlug, veilig, maatschappelijk verantwoord en voordelig kan worden ingericht, zal dit de maatschappij en de consument veel opleveren. Het lastige blijft dat er veel betrokken partijen zijn en dit dus moeilijk in te voeren is. Wanneer een toonaangevende distributeur dit zou gaan opzetten is er een goede kans van slagen. Het is nog even afwachten wie deze handschoen zal oppikken.

Rinus Krijnen

E-mail en Agenda

Onlangs stond in de krant dat een groot ICT-bedrijf Athos wil gaan stoppen met e-mail. Het bedrijf had onderzoek gedaan binnen het bedrijf en kwam tot de conclusie dat een gemiddelde medewerker tussen de vijf en twintig uren per week in de weer was met het beantwoorden en versturen van mail. Ik herken mezelf in zo’n beeld. En dan denk ik weleens aan vroeger, waarbij in het postvak van het bedrijf mogelijk vijf interne memo’s, een paar reclamefolders en een getypte brief per dag lagen. Nu kijk ik nog wel eens in het postvak en tref daar soms een reclamefolder aan, die ik meestal direct weggooi.

Vroeger werd er relatief meer gebeld op het werk. We hadden geen mobiele telefoons vijftien jaar geleden en moesten het met vaste toestellen doen. Als je in een vergadering zat was je niet bereikbaar. Eigenlijk wel relaxed. Nu open ik op enig moment de mailbox en een waterval van berichten, antwoorden en afspraken vallen binnen. Daar ben je zo een paar uur mee kwijt om het weg te werken. Momenteel is het zelfs zo dat ik niet eens meer in staat ben om alle mail weg te werken. Oh, en naast mailen MSN-en we ook. Deze zogenaamde instant messages vervangen deels de telefoon en deels de mail. Korte berichten die direct weggewerkt worden. Vaak gebruiken we MSN ook om even elkaar op te zoeken. Dit was er dus allemaal niet vijftien jaar geleden. Ik lees mijn werk-mail nu vaak ook thuis of onderweg. Met PDA en iPAD kun je overal je e-mail ophalen en beantwoorden. Je kunt zeggen dat den werkplaats is waar je bent. Het lijkt allemaal erg efficiënt, maar feitelijk is het licht verslavend. Je bent altijd nieuwsgierig wie wat van je vraagt of iets te zeggen heeft. Maar feitelijk leiden we onder een digitaal verkeersinfarct. We verzuipen bijna letterlijk in de mail en wat als erg efficiënt lijkt is zo talrijk geworden dat het je bezwaart en je dingen gaat doen, die je eigenlijk niet wil of waar je eigenlijk geen tijd voor hebt. Je wordt erg reactief. Een paar jaar terug kreeg je nog weleens de vraag of je die of die mail al gelezen had, maar als men dat nu vraagt is het antwoord meestal, dat ik er nog niet aan toe ben gekomen en wellicht ook niet meer aan toe zal komen. Het lijkt op het aanbod op de televisie. 40 jaar geleden erg overzichtelijk met één of twee zenders, waarbij de kans groot was dat je omgeving dezelfde programma’s had zitten te kijken dan je buurman. Het aanbod is te groot om goed vast te stellen wat er wel en niet toe doet. En toen las ik dat Athos de mail ging dichtzetten. Ze gaan gebruik maken van portals (interne websites) en social media om berichten ook niet oneindig te dupliceren en daarmee berichten direct beschikbaar te stellen aan grotere groepen en via Yammer, Facebook of Twitter je hierop te wijzen. Het mailverkeer is eigenlijk één grote digitale milieuvervuiling. Het vraagt discipline van een bedrijf en zijn medewerkers om op een andere manier te werken, maar nu is het ook een chaos. Je moet wel een erg georganiseerde mens zijn wil je al je berichten goed rubriceren en weer kunnen vinden. Ik vraag me sterk af wat men hier in het middelbaar en hoger onderwijs over leert; waarschijnlijk niets.

Mail is dan wellicht nog onvolwassen en ontploft, maar het internet gebruiken om afspraken te maken is een toepassing die wel heel volwassen aan het worden is. Vroeger moest je jezelf een slag in de rondte bellen om een afspraak met een paar mensen te maken, maar nu zijn er sites als afspreken.nl waar je via mail de genodigde een keuze laat maken uit verschillende data. De organisator zorgt voor het onderwerp, plaats en de optionele vergaderdata. De deelnemers kunnen aangeven en toelichten wanneer ze wel of niet kunnen. En als iedereen heeft geantwoord kan de organisator de afspraak vastleggen en iedere deelnemer neemt het op in zijn of haar agenda. Dit is praktisch, makkelijk en tijdsbesparend en kan ook worden toegepast over organisaties heen.
En zo werkt aan de ene kant de nieuwe wereld tegen je en aan de andere kant ook weer mee.

Belangrijk is dat we eigenlijk onszelf veel beter bewust zouden moeten zijn van wat wel goed en kwaad is aan de mogelijkheden van de nieuwe wereld en dat het niet de aanleiding gaat worden van burnouts en veel stress. Wees bewust wat de effecten zijn van de nieuwe media.

Ze mogen van mij overigens wel mijn postvakje ontruimen. Die is inmiddels echt zinloos geworden.

Rinus Krijnen

Actie en de social media

De komst van nieuwe media verandert de wereld in korte tijd. Al een aantal jaren geleden –in 2007- meldde ik al dat door middel van MSN en Hyves in Raamsdonksveer een scholierenprotest werd ontketend zonder dat er een duidelijke leider was en het bleek toch strak georganiseerd. Door elkaar aan te sporen via de social media verenigde zich de groep scholieren en kon gezamenlijk op zeer korte termijn actie gaan voeren. Toen was dat nog zeer bijzonder en eigenlijk alleen nog maar iets dat de jonge jeugd kon inzetten. Inmiddels zijn we vier jaar verder en je ziet dat deze middelen nu ook grootschalig worden ingezet bij andere vormen van protest. Het feit dat afgelopen periode in Tunesië de protesten zo hevig waren dat de autoritaire president op de vlucht sloeg is grotendeels te danken aan de social media. Het oproepen om protestacties te voeren op traditionele wijze via kranten, radio of TV is in een autoritaire staat uit den boze en bovendien ook eenvoudiger traceerbaar voor de overheid. Daar konden ze tot voor deze acties startten effectief tegen optreden, door infiltratie, intimidatie of ontmantelen. Met zo’n actie dia via de mobieltjes en de social media wordt opgeroepen is dat veel lastiger. Bovendien kunnen de protestvoerders zich ook veel beter groeperen, omdat iedere deelnemer tevens een verkenner is en dus de positie van de ordetroepen kan doorgeven aan zijn medeprotestdeelnemers. Dat is veel lastiger te bestrijden dan een vijand die geholpen wordt van binnenuit of buitenaf om het conflict juist te mijden of op te zoeken. En op deze wijze bleek het protest in Tunis niet meer te breken.
Dat de social media ook ingezet worden tijdens rampen is ook iets nieuws. Deze week was er een grote brand bij Zwijndrecht op de Betuwelijn waarbij een trein met ethanol (een soort alcohol) was gaan branden en de hulpverleners kwamen zelf op het idee om op Twitter een account aan te maken @kijfhoek en daarmee de vorderingen van de brand door te geven. Waarschijnlijk een gevolg van de grote ramp bij Chemie Pack, waarbij de informatie rondom de brand veel sneller het publiek en pers bereikte dan de overheden op de traditionele manieren voor elkaar konden kregen en tot grote discussies leidde. Bij zo’n complexe brand overleggen de zogenaamde drie- of vierhoeken met elkaar hoe ze de media en de bewoners gaan informeren over de gevolgen van de ramp. Daarvoor worden dan communiqués belegd, waarbij vooraf op een gouden blaadje wordt gewogen wat de burgemeester, of bevelhebber gaat vertellen. In het verleden werd dan, tot het tegendeel werd bewezen of vermoed, de informatie voor waar aangenomen. Bleken er toch onwaarheden te zijn verkondigd, dan kon dit achteraf leiden tot een onderzoek in een aantal mogelijke vormen, afhankelijk van de ernst van de situatie. Bij de brand in Moerdijk bij Chemie Pak was dit anders. Doordat mensen elkaar twitterden of op facebook elkaar aanspraken, lekte informatie over de gevolgen nog sneller dan het bluswater. Zaken die door de overheid niet verontrustend werden genoemd en dus niet werden verteld in het communiqué, begonnen door het rondzingen op Twitter en Facebook een eigen leven te leiden en zorgden ervoor door dat de overheid vooral kritisch werd bevraagd over de zaken die de overheid zelf niet vertelde en dus in de ogen van de pers en het publiek achter liet. Daarmee kwam de geloofwaardigheid van de overheid zwaar onder druk en heeft volgens mij zelfs de burgemeester van Moerdijk doen besluiten, zijn werk aan de wilgen te hangen. Wellicht dat bij de brand bij “Kijfhoek” in Zwijndrecht men daarom gelijk al begonnen is om op Twitter pro-actief al mededelingen te doen over de voortgang.

De laatste grote zaak die ook via de social media en internet onlangs is verspreid, is de informatie van WikiLeaks, waarbij vooral Amerikaanse geheime documenten in grote aantallen op het internet verschenen, met het verzoek aan de wereld de honderdduizenden stukken te lezen en de conclusies te delen. Hiermee is er een soort informatie-oorlog gestart, waarmee het oude niet-transparante bolwerk van overheidinformatie, ineens op zijn echte waarde kan worden beoordeeld. Daarmee komen tal van mensen in een moeilijke situatie terecht en de vraag is of dit geen grote gevolgen gaat krijgen, zoals afrekeningen, zelfmoorden en verstoorde politieke verhoudingen.

De overheden zullen door de inzet van de social media zich opnieuw moeten gaan afvragen hoe te communiceren met hun burgers, zonder vanaf het eerste moment in de verdediging te hoeven schieten. De vraag daarbij is of volledige transparantie niet kan leiden tot chaos. Als niemand de waarde mag wegen om vast te stellen of de beschikbare informatie relevant is om naar buiten te brengen, trekt elke burger of persvertegenwoordiger zijn eigen conclusies op basis van eigen waarneming. Dat zal zeker leiden tot grote verwarring en wellicht burgerlijke ongehoorzaamheid en in ieder geval het vertrouwen in de overheid schaden. Dit moderne vraagstuk zal de komende tijd zeker tot grote hoofdbrekens van de overheden leiden. Een oplossing ligt niet zomaar voorhanden, maar het vanaf het vroegste moment met mededelingen naar buiten komen via de social media, zoals nu bij de brand bij Kijfhoek is een eerste begin.

Rinus Krijnen

Altijd online

De succesvolle, moderne mens gaat tegenwoordig op pad met minimaal een PDA, een persoonlijke digitale assistent, die dienst doet als telefoon, toegang tot internet, SMS, mail en agenda. Daarnaast wordt het ding ook gebruikt om de sociale media bij te houden en een spelletje te doen. En dat allemaal met een apparaatje van nog geen 4 x 8 cm. Basis van de PDA is de telefoon, die tegenwoordig verbinding maakt met het netwerk met een zogenaamde 3 of 4G verbinding, waardoor al de genoemde functionaliteit kan worden bereikt. De PDA heeft er nu ook een broertje bij gekregen: kleine tablet-PC’s die ook gebruik maken van een ingebouwde sim- (telefoon-)kaart, waarmee Apple met zijn iPAD de aftrap nam. Door het grotere scherm is zo’n tablet-PC beter geschikt voor toepassingen waarvoor beeld belangrijker is dan een PDA, maar vervangt daarmee ook deels de PC, zeker als het gaat om infotainment en communicatie.

Een PDA of iPAD en de nieuwe Android-tablet-PC’s maken gebruik van besturingssystemen die gebaseerd zijn op telefonie. Zij kunnen dus via de micro-SIM contact leggen met de buitenwereld en met WiFi, de lokale draadloze internetoplossing. WiFi is voor de gebruiker interessanter dan de telefonische verbinding. In de regel is de snelheid van een WiFi-verbinding hoger dan van een 3G-verbinding en kost het de gebruiker meestal geen geld, mits hij toestemming heeft gekregen van de eigenaar van de WiFi-aanbieder. In sommige hotels en restaurants kan men wel gebruik maken van een WiFi verbinding, maar moet men ervoor betalen. Dat is per plek behoorlijk verschillend. Zo zijn er tal van zaken waar dit als service wordt aangeboden, maar bedragen van € 15,00 per dag komen ook voor. Op een vaste lokatie is een WiFi-verbinding in het algemeen betrouwbaarder dan een 3G-verbinding. Onderweg heb je geen keuze. WiFi is niet overal beschikbaar, en daarom ben je afhankelijk van de 3G-verbinding. Die schaf je aan door een abonnement te nemen of het aanschaffen van prepaid-telefoonbundels. Het gebruik kan dan bij regulier gebruik oplopen tot een paar tientjes per maand.

En met 3G ben je afhankelijk van het bereik van je provider. Ik ben sinds een klein half jaar bezitter van een iPAD. De eerste maanden heb ik met mijn iPAD gebruik gemaakt van de diensten van T-Mobile, een prepaid bundel. Aanvankelijk ging dit erg goed, maar de laatste twee maanden is het bereik met sprongen achteruit gegaan. Vooral in de trein is het bereik waardeloos. Voordat ik een iPAD had, gebruikte ik een ASUS netbook met een KPN-dongel. Dat werkte over het algemeen erg goed. En sinds deze maand ben ik overgestapt naar een abonnement van Vodafone op mijn iPAD en tot op heden hier ook erg tevreden over.

Als je echt een actieve gebruiker bent, dan is de behoefte om altijd online te zijn erg groot. Het ontberen van verbinding is het gevoel van een openbaar gebouw te betreden zonder mensen erin, of naar een concert gaan zonder geluid. Het altijd online zijn is verslavend en je ziet dan ook dat vooral jongeren het online zijn net zo normaal vinden als het hebben van gas, water en licht.

Het verhoogt je gevoel van vrijheid. Als ik een exemplaar van VRIJ Nederland of NRC Handelsblad wil lezen ben ik niet afhankelijk van de aanwezigheid van een boekhandel of kiosk in de buurt. Ik koop in de apps-store (de digitale internetwinkel) het laatste exemplaar en binnen twee minuten kan ik overal het tijdschrift of krant lezen, waarbij een enorm logistiek proces en een aantal bomen wordt uitgespaard. Nu hebben mensen vaak nog een abonnement op een tijdschrift of krant, vaak uit gewoonte en gemak. Als het aantal digitale versies van kranten en tijdschriften zal stijgen, zullen de mensen niet altijd dezelfde krant of tijdschrift afnemen, maar meer gaan switchen en ook bewuster kiezen. Het digitale gemak is namelijk net zo groot als wanneer een krant of tijdschrift via de brievenbus binnen valt. Bovendien kun je zelf bepalen wanneer je wat koopt, zonder afhankelijkheid van oplage en bezorging. Ook is het sneller en zou het goedkoper moeten kunnen vanwege het ontbreken van het druk- en bezorgproces. Je koopt de exemplaren per stuk, dus je kunt veel kostenbewuster omgaan met aanschaf. En verder kan men de geboden dienstverlening veel interactiever doen, door verwijzingen te maken, filmpjes en geluid toe te voegen etc. Daar is nog maar net een begin mee gemaakt. En het dwingt tijdschriften en kranten na te denken over hun bedrijfsmodel. De digitale apparaten zijn bijna allemaal persoonlijk, waarmee een tijdschrift of krant niet het gehele gezin bereikt. Men zal veel gerichter zijn klanten moeten gaan zoeken. De meeste krantensites hebben als ze online gaan, een letterlijke digitale versie van de krant gemaakt, waardoor bij mij associaties komen met de invoering van de auto: de eerste auto’s leken op koetsen zonder paarden. Daar ligt ook nog een mega-ontwikkeling in het verschiet. Kortom, de digitale wereld is nog lang niet af, er is nog veel te doen.

Rinus Krijnen

Het nieuwe boek

Sinds de uitvinding van de boekdrukkunst, zo einde van de middeleeuwen, kunnen meer mensen boeken lezen. Het heeft ook nog eens zo’n vijf eeuwen geduurd, voordat iedereen onderwijs genoot en kon lezen. Helaas merk je dat analfabetisme weer toeneemt. Door onze multiculturele samenleving ontstaat taalachterstand omdat voor veel nieuwe Nederlanders het vaak moeilijk is teksten te lezen en te begrijpen. Bovendien is de kwaliteit van het basisonderwijs op taalgebied ook niet meer wat het is geweest, waardoor ook grote groepen oorspronkelijke Nederlanders moeite hebben met lezen. Daarom zie je hoe langer hoe meer iconen gebruikt worden in de publieke ruimte om aanwijzingen uit te beelden in plaats van door teksten. Toch is het boek niet weg te denken uit onze samenleving, al valt mij op dat veel mensen lezen beperken tot het koppen van de krant en het bladeren van een tijdschrift. Er is wel een harde kern die dagelijks leest, vaak vlak voor het slapen gaan. Ook zijn er die tijdens de vakantie met kilo’s boeken gaan zeulen, het risico lopend dat door overgewicht dit een dure grap kan gaan worden, zoals mij ooit is overkomen.

We zijn nu in het digitale tijdperk beland. Muziek heeft er ongeveer honderd jaar over gedaan om zich vanaf de eerste krassige schellakplaat tot een volledig gedigitaliseerd medium te ontwikkelen. Ondanks dat voor boeken ook een digitale toekomst leek te zijn weggelegd, bleek dit in de praktijk nogal tegen te vallen. Tot voor kort werd er wel veel digitaal gelezen, maar vooral van computerschermen. Aanvankelijk waren die niet vervoerbaar, maar met de komst van laptops en netbooks is de mobiliteit van het digitale leesvoer behoorlijk verbeterd. Toch zie ik mezelf niet met een laptop in bed een boek lezen. Te zwaar, te korte levensduur van een batterij en vaak ook te vermoeiend aan de ogen. Ga je buiten zitten met je laptopje, dan werkt het niet in de volle zon. Door het benodigde backlight is het zeer vermoeiend om op het bijna onzichtbare scherm in de volle zon iets te zien.

Een paar jaar geleden begon een kentering te komen door de uitvinding van e-ink op e-paper.

E-paper is een schermpje waarvan niet de achterkant wordt belicht, maar bestaat uit hele kleine deeltjes die óf wit óf zwart worden, al naar gelang hoe de spanning er op wordt aangebracht. De leeservaring van deze schermen is gelijk aan papier. Hoe meer licht, hoe beter leesbaar het scherm, dus uitermate geschikt in zonnige omgevingen. In het donker heb je daarom net als bij een boek een lampje nodig om te lezen. Bovendien gebruikt het scherm geen stroom als een pagina gepresenteerd wordt en gaat daardoor dus zuinig met energie om. Om te testen heb ik een aantal jaren geleden van mijn baas een iLIAD gekregen, een reader, die ongeveer als eerste gebruik maakt van e-paper, wat overigens een uitvinding is van Philips. Op zich kan het ding best veel. Het heeft een behoorlijk scherm, je kunt zelfs aantekeningen maken op het scherm en is inderdaad in de volle zon goed leesbaar. Maar het ding is ook erg traag met schermwisselingen en bij het schrijven en al snel is hij in de kast verdwenen. Er waren bovendien ook nauwelijks titels te krijgen.

Anno 2010 is het e-paper aan een nieuwe start begonnen. De e-paperapparaten, de readers, zijn kleiner, sneller en goedkoper geworden en er zijn inmiddels al veel titels verschenen. Doordat men over elkaar heen valt met deze spullen, zijn ook een aantal zaken nog niet goed geregeld zoals: geen normen voor het formaat, gedoe over de rechten van de teksten en de vraag: met welk apparaat kies ik een toekomstvaste richting? Eigenlijk dezelfde vragen die we bij films en muziek eerder hebben gehad. Dat is een soort technologische en juridische strijd waardoor je heen moet en ook erg lastig is. Het nadeel van digitaliseren is namelijk dat het resultaat veel eenvoudiger te kopiëren valt en dus veel makkelijker verspreid kan worden. Als dat kopiëren niet op een afgeschermde manier kan worden gedaan of de beveiligingscodes worden gekraakt, ligt een boek zomaar gratis en voor niets in de digitale schappen, waarmee de schrijvers en uitgevers inkomensverlies lijden. Dit heeft ook wel te maken met het feit, dat het publiek nog niet zo bereid is voor digitale media te betalen, omdat het niet echt tastbaar is en bovendien kwetsbaar. Verlies je de PC waarop de gekochte digitale boeken en muziek staan of crasht de schijf van de PC definitief, dan kan dit een behoorlijke kostenpost worden als daar een aanzienlijk aantal gekochte boeken of andere digitale media staan. Vaak is het ook moeilijk beschermde media te backuppen, om “misbruik” te vermijden. Maar het is natuurlijk wel gek dat een illegaal verkregen digitaal boek zonder problemen kan worden gekopieerd, maar dat je het gekochte exemplaar nauwelijks kan delen op je eigen spullenboel.

Toch stijgt het e-book nu snel in populariteit. Het apparaat waarmee je het leest is licht en functioneert uitstekend en er kunnen tegelijkertijd ook heel veel boeken meegenomen worden. Dus als je op vakantie gaat: geen kilo’s papier meer mee, maar een apparaatje met een oplader. Bovendien is de productie van een e-book milieutechnisch veel verantwoorder, want er hoeven nauwelijks bomen voor worden gekapt. En wat dacht je van ruimte? Geen lompe, dure kasten meer in huis vol met boeken, die slechts enkele keren uit die kast komen.

Maar er kleven ook nadelen: met het verdwijnen van het echte boek sterven ook beroepen uit als drukkers en distributeurs. En wat moet je nu vragen voor een boek als je het niet meer kan vasthouden, ruiken en voelen?

Veel verstokte lezers wijzen het digitale boek nu volledig af. Het is niet alleen het lezen, maar ook het bezit en de tastbaarheid dat blijkbaar een belangrijke reden is om het boek nog te kopen. Dezelfde argumenten die destijds ook gebruikt werden toen de LP werd vervangen door de CD en de CD daarna weer door de MP3. Toch is de verkoop van LP’s een nichemarkt geworden en zelfs van CD’s is dit nu zo. Je kunt tenslotte maar één boek tegelijk lezen of één muziekstuk tegelijk horen. We worden door de technische mogelijkheden zo overstelpt met media, dat het geen doen meer is om alles nog bij te houden en als je dit niet digitaal nog zou willen verzamelen, het wel erg kostbaar wordt en vreselijk veel ruimte gaat opslokken. Dat zal uiteindelijk ook de drijfveer zijn om mensen over te halen om digitale boeken te gaan lezen.

Daarmee zal voorlopig het papieren boek nog niet zijn verdwenen, maar de kentering is gestart.

Rinus Krijnen

Nieuw betalingsverkeer

In de wereld van betalingsverkeer is er de laatste jaren veel veranderd en staat er nog veel te gebeuren. Omdat er nogal wat misverstanden zijn bij consumenten over betalen, wil ik met dit artikel aangeven welke veranderingen er werkelijk invloed hebben op het consumentengedrag en wat dat dus voor u betekent.
De wereld staat niet stil en we moeten even terug naar het verleden om het systeem te snappen. Het geld als tegenwaarde voor artikelen is al zo’n 2600 jaar geleden in Turkije aanwijsbaar ontstaan. Edelmetalen zoals goud en zilver maar ook koper werden platgeslagen in muntjes en door er een stempel in te drukken was het gewicht bepaald en had het een constante waarde en kon daarom dienen als ruilmiddel. Geld had dus een intrinsieke waarde, dat wil zeggen dat het muntje zelf de waarde vertegenwoordigde in edelmetaal of koper. Er hoefde dus geen tegenwaarde in kluizen door de uitgevers van munten plaats te vinden. Tot diep in de twintigste eeuw is vooral goud de tegenwaarde gebleven van het inmiddels in omloop zijnde papiergeld, dat eigenlijk een kwitantie was voor het opgeslagen geld in dikke kluizen en een zogenaamde nominale waarde vertegenwoordigde: het papier is op zichzelf veel minder waard dan de waarde die het vertegenwoordigt. Het grote nadeel van al dat goud in de kluizen was dat het werkelijk achter slot en grendel lag en dus economisch dood. Het loslaten van de tegenwaarde van het opgeslagen goud tegenover het in omloop zijnde papieren geld is geldschepping. Onlangs hoorde ik een mooi eenvoudig voorbeeld hoe geld geschapen wordt. Dit alles ontstond doordat men elkaar leningen ging verstrekken; zogenaamd fiduciair geld en men elkaar vertrouwde dat men de schuld ooit afloste.

Het voorbeeld: Een Australische toerist komt een hotel binnen en vraagt om een kamer. De hoteleigenaar wijst hem zijn kamer en de toerist betaalt 100 euro. De hoteleigenaar heeft schuld bij de slager en gaat direct naar de slager waar hij toevallig ook voor 100 euro aan openstaande rekeningen heeft. De slager ontvangt het geld en loopt direct naar het slachthuis omdat hij ook schuld heeft van 100 euro voor het slachten van de dieren en dit hiermee wil afbetalen. De slachter verlaat zijn slachterij en gaat naar de hoer die nog geld van hem te goed heeft na een overspelige nacht en betaalt haar 100 euro. De hoer vertrekt direct naar het hotel en betaalt de hoteleigenaar 100 euro voor de betaling van een openstaande rekeing voor het huren van een kamertje voor haar werkzaamheden. De hoer is de deur nog niet uit of de Australische toerist komt in het hotel naar beneden en zegt tegen de hoteleigenaar dat hij toch afziet van de kamer, want het is een beetje te klein. De hoteleigenaar geeft de man zijn 100 euro terug en de toerist verlaat het pand. Er lijkt alsof er niets is gebeurd, maar iedereen heeft zijn schuld afgelost met één briefje van 100 euro.

Zo werkt geld. Er kleven nadelen aan geld. Zo is geld met een intrinsieke waarde zeer gevoelig voor verlies en beroving en logistiek heel onhandig omdat het letterlijk zwaar is. Papiergeld heeft weer het nadeel dat het een korte levensduur heeft, gevoelig is voor namaak en dat de uitgevers veel meer kunnen drukken dan er werkelijk tegenwaarde voor is gereserveerd. Dat laatste zorgt voor geldontwaarding en dus renteverhoging als partijen dit door gaan hebben.
Giraal geld is de administratieve tegenhanger van papiergeld en munten, dat ook wel chartaal geld wordt genoemd. Giraal geld is in feite niets anders dan cijfertjes op papier, waarbij onderlinge schuldbekentenissen in rekening-courantverhoudingen zijn vastgelegd: debet en credit. Credit betekent: verschuldigd. Dat houdt in dat als jij een creditsaldo op je bankrekening hebt de bank schuld heeft bij jou. En omdat zij beschikkingsrecht hebben om met dat geld te spelen zijn ze bereid jou daar een vergoeding voor te geven: rente. Moet je echter geld lenen, dan betaal je rente aan de bank die hoger is dan de rente die de banken vergoeden. Daar betaalt de bank zijn kosten uit en maakt hij winst.

Het geheel is dus grotendeels opgebouwd uit vertrouwen en daardoor zijn er strenge toezichthouders en kun je dit niet zomaar overlaten aan de markt alleen.

Tot zover de geschiedenis van geld. In deze innovatierubriek willen we het juist hebben over de toekomst, maar om die een beetje te begrijpen is de bovenstaande toelichting een belangrijke inleiding.

Giraal betalen is ontstaan nadat banken bankrekeningen openden voor hun klanten en administratief gingen bijhouden hoe schulden en betalingen voor een klant werden uitgevoerd. Inmiddels is het girale geldverkeer veel groter dan de chartale vorm (papieren en munten). Met de invoering van cheques is het girale verkeer ook beland in het domein waar tot dan toe alleen chartale betaalvormen speelden. Tot in de jaren negentig betaalden consumenten met eurocheques of girocheques hun boodschappen, hetgeen administratief een dure oplossing was voor de banken en detailhandel. Toen de elektronische netwerken betrouwbaarder werden introduceerden de banken de PIN-pas, die was bedoeld om de cheques te verdrijven en de consument en de detailhandelaar sneller en veiliger te bedienen en de kosten bij de banken te reduceren. Het betalingsverkeer werd goedkoper en sneller en het chartale geldcircuit werd aanzienlijk kleiner. Het gevolg was dat de banken minder geldvoorraden in huis hoefden te houden en met minder personeel het betalingsverkeer konden uitvoeren.
Een probleem bleef wel dat kleine en duistere, zwarte betalingen binnen het chartale circuit bleven. Om met de duistere betalingen te beginnen. Ik heb het altijd vreemd gevonden dat bij de introductie van de Euro er bankbiljetten van boven de 50 euro in omloop zijn gebracht. Ook bij de introductie van de Euro waren alle banken al zodanig op elkaar aangesloten dat girale betalingen over de gehele wereld mogelijk zijn en voor haast iedereen toegankelijk. Het is dan ook verdacht dat betalingen in grote hoeveelheden met bankbiljetten zouden moeten plaatsvinden. Daar zit een luchtje aan, omdat het aanwijsbaar veel veiliger en efficiënter is om giraal te betalen. Maar in bepaalde branches waar de fiscus liever geen weet van mag hebben, is het betalen met cash nog steeds gebruikelijk. Daar worden dan ook de 200 en 500 eurobiljetten voornamelijk gebruikt. Een goede maatregel zou zijn deze af te schaffen om het illegale circuit het moeilijker te maken. Je ziet ook dat de detailhandel niets moet hebben van de 200 en 500 euro bankbiljetten; bang dat ze belazerd worden vanwege namaak en het grotere risico.

Een ander groot probleem is het kleine geld. Tot voor kort rekenden detailhandelaren aan particulieren ook kosten voor het betalen van kleine bedragen via de PIN. Door de automatisering werd door de transparantie van het betalingsverkeer de kosten van betalen zichtbaar en zagen de winkeliers dat ze 10 of 20 cent moesten betalen voor elke handeling met de PIN-machine. Daarom vroegen sommige detailhandelaren extra kosten bij kleine bedragen voor het gebruik van PIN. Ze vergaten daarbij dat het aanhouden van geld in de kassa veel minder veilig is, en het afstorten van geld ook geld kostte.

De banken antwoorden hierop met de Chipknip. Daarmee werd een saldo door de klant via een oplaadapparaat op een chip geplaatst op een bankpasje, waarmee de consument dan kleine bedragen kon betalen. Ideaal voor parkeerautomaten, kantines en andere plaatsen waar relatief lagere bedragen in omgaan. De kosten voor de detailhandel waren laag, omdat de aftrekening niet per betaling plaatsvond, maar in één bedrag per dag. Het voordeel van de klant is dat hij geen muntjes bij zich hoeft te hebben om kleine betalingen bij onbemande betaalautomaten te verrichten. Bovendien is het veiliger, omdat er geen contant geld in de automaten zit. Ikzelf ben altijd een enthousiaste gebruiker geweest en ben het nog van de chipknip. Ik erger me heel vaak aan mensen bij parkeerautomaten die overal proberen wat muntjes bij elkaar te grissen om hun betaling te verrichten en lange rijen veroorzaken, terwijl ze allemaal een chip op hun pasje hebben.
Het probleem van de chipknip is dat het zo onzichtbaar is. Aan de buitenkant kun je het saldo niet zien en dus een apparaat moet hebben om het af te lezen. Een ander nadeel is dat je het saldo kwijt bent als je het pasje verliest. Daarin is het overigens exact hetzelfde als het verliezen van munt- of papiergeld, maar blijkbaar voelt dit anders aan. De banken zien ook dat dit niet tot een groot succes is geworden en hebben daarom een actie ingezet om ook voor kleine bedragen pinnen te stimuleren. Door het uitbreiden van de elektronische snelweg is het verkeer verhoudingsgewijs goedkoper geworden en is het een extra stimulans het chartale geldverkeer te onderdrukken, waardoor de kosten lager worden en de veiligheid voor detailhandelaar toeneemt.

Het is nog altijd niet handig om giraal geld uit te wisselen tussen particulieren. Er zijn systemen waarmee je via SMS kleine bedragen aan elkaar kunt betalen, maar in de praktijk blijkt dit te omslachtig. Teveel gedoe met knopjes en zo en het is dan toch gemakkelijker een Euro over te steken. Om dit te bereiken zal de techniek nog een stap moeten doen waarmee je bijvoorbeeld door twee pasjes tegen elkaar te houden met een klein apparaatje een bedrag van pasje A naar pasje B kan overzetten met bijvoorbeeld een vingerafdruk van beiden als teken dat de twee bevoegd elkaar een (kleine) betaling kunnen doen tot bijvoorbeeld max. € 30,00 per keer.

Wellicht dat mobiel bankieren hier ook een oplossing voor is. Vanaf ongeveer 2012 kun je met een toestel waarop een NFC chip zit (Near field communication) aan de kassa’s van winkels betalen in plaats van met je pasje. Je houdt simpelweg je mobieltje in de buurt van een plaatje bij de kassa en je rekening is betaald. In dit concept kun je nog veel verder gaan en deze techniek ook gebruiken om je kassabonnen niet bij de winkelier af te drukken maar direct inzichtelijk te maken op je mobiel of gesynchroniseerd op je PC, iPAD of laptop. Zover is het nog niet, maar de mobiele telefoon zal hoe langer hoe meer een belangrijkere rol gaan spelen als een soort paspoort, portemonnee, verbindings- en communicatieapparaat en gaan behoren tot je belangrijkste bezit, waar je dus ook zeer zorgvuldig mee zult moeten omgaan.

Terug naar het feitelijke bankieren. Als je een rekening krijgt van een bedrijf zit er vaak een gele strook aan die OLA wordt genoemd, een optisch leesbare acceptgirokaart. Een kaart die grotendeels door een machine kan worden gelezen en die bijna volautomatisch binnen de kantorencentrales van de bank de betaling aan de leverancier verzorgt. Tot voor kort scheurden we deze kaarten van de factuur, voorzagen we ze van een handtekening en stuurden ze naar je eigen bank waar deze handeling werd verricht. Daar waar deze gele kaarten ontbraken moest je zelf met een overschrijvingsformulier handmatig een betaalopdracht invullen en ook insturen naar je bank. Ook hier was er weer sprake van dure handelingen met een paar dagen doorlooptijd. In de jaren negentig is telebankieren ontstaan en kort erop internetbankieren. Daarmee hoefde je deze kaarten niet meer te gebruiken, maar kon je via een modemverbinding de betaalgegevens zelf invoeren en werd het volautomatisch uitgevoerd. De beveiliging bestaat uit een speciaal apparaatje: een digipass of random reader waardoor je een code moet genereren, die ervoor zorgt dat de bank weet dat jij de betaling hebt uitgevoerd en de handeling uniek maakt. Andere banken maken gebruik van zogenaamde tancodes, die je via een SMSje ontvangt of op een lijst krijgt toegestuurd. Op deze wijze heeft de klant via internet inzicht in zijn betalingsverkeer en kan eenvoudig bedragen overboeken naar derden of zijn eigen rekeningen. Internetbankieren is erg populair, maar ook hier zijn nog vele sceptici. Een variant hierop is betaling met een internettelefoon, waarbij je beperkte bedragen zonder tancode maar met een vast tincode ook kunt overboeken. Het voordeel hiervan is dat je niet altijd een random reader of andere vorm van paslezer bij je moet hebben. Ook betalen via een callcentre is op deze manier mogelijk. Betalen met een TIN-code via speciale toepassingen op iPhone, iPAD of andere mobiele telefoon gaat zeer snel en kun je overal doen waar je telefoonbereik hebt.

Een variant op de OLA is de NotaBox. In plaats van het versturen van een OLA stuurt een bedrijf de factuur naar je internetbankierenaccount, waar je de nota kunt ophalen en met een eenvoudige transactie kan betalen. Je moet dan wel bij het betreffende bedrijf aangeven dat je de nota’s op deze manier wenst te ontvangen. Dit systeem zorgt ervoor dat je nog steeds zelf in controle bent wanneer je de rekening betaalt, maar er geen poststroom meer plaatsvindt. (Minder bomen, minder CO2 en TNT). Het meest geautomatiseerde systeem is uiteraard het systeem van automatische incasso, waarbij de leverancier de rekening op de betaaldatum van je rekening haalt. Dit is veruit de goedkoopste vorm, maar je hebt zelf dan geen invloed op de betaaldatum. Hierbij zijn er spelregels dat wanneer dit onterecht gebeurt, je de betaling kan terugdraaien, storneren zoals dat in banktermen heet.
De meest antieke vorm die ook nog wel voorkomt is de betaling onder rembours. Dat wil zeggen dat als het pakket bezorgd wordt, de klant cash het pakket en de bezorgkosten betaalt. Dit is veruit de duurste vorm van betaling, omdat het administratief ingewikkeld is, er veel partijen bij betrokken zijn, het niet veilig is, de ontvanger zich moet legitimeren en er risico’s zijn dat de ontvanger niet thuis is en de vervoerder opnieuw het pakket moet aanbieden op een later moment.

Als alternatief voor rembours is vooruitbetaling een optie. Dat kan door de kosten alvast over te maken aan de leverancier of gebruik te maken van iDEAL, een methode waarbij de Nederlandse banken het internetbankieren betrekken bij de totstandkoming van een deal. Op het moment van bestelling betaal je de goederen en vervoerkosten door een internetbetaling. Veilig, snel en simpel.

Ook de Creditkaart is een methode om betalingen via het internet te verrichten. Toch zijn er vele mensen huiverig om dit te doen, omdat de pasgegevens volledig via het internet worden verstuurd en er eigenlijk geen controle plaatsvindt, zeker tot voor kort. Belangrijk is dat wanneer je iets op internet betaalt met een creditkaart dat in het adres een secure http-verbinding is gemaakt: kortom de adresregel in de browser moet starten met https:// in plaats van http://. Inmiddels gaat ook de beveiliging van het internet met Creditkaart naar een hoger niveau. Vaak moet je naast de kaartgegevens nu ook de pincode gebruiken via een random reader voordat je een betaling uitvoert. Die moet je dan wel weten. Het is niet altijd standaard zo dat de pin van je betaalkaart gelijk is aan die van de creditkaart. Dat maakt het betalen met de Creditkaart overigens wel een heel stuk veiliger en vergelijkbaar met iDEAL. Een voordeel van de Creditkaart is dat je ook in het buitenland kunt betalen.

De rol van de chip op je betaalpasje zal hoe langer hoe belangrijker worden. De tot nu toe gebruikte magneetstrip is te gevoelig en redelijk eenvoudig te kopiëren, waarmee door skimming gegevens bij geld- en betaalautomaten kunnen worden ontfutseld. Uiteindelijk zal de magneetstrip verdwijnen en de kaart met de kopse kant met de chip in de betaalautomaat gestoken moeten worden.

Een andere mogelijkheid is het betalen met PayPal. PayPal is een speler binnen het internationaal betalingsverkeer, die vooral populair is bij tweedehandsmarkten zoals eBAY of marktplaats. Je maakt op internet eenvoudig een account aan en stort er vanuit je normale bankrekening een bedrag op. Koop je iets op het internet dan laat je de betaling via het PayPal account verlopen. Het voordeel is dat de betaling direct is en dat er geen ingewikkelde buitenlandse overboekingen hoeven plaats te vinden. De onderlinge betaling gaat van de ene PayPal naar de andere PayPal-rekening en de houders van de rekening zelf houden wel in de gaten of de betalingen zijn ontvangen en of er voldoende geld op de PayPalrekening staat.

Voor kleine bedragen nationaal zijn er ook betaalmogelijkheden als MiniTix waarmee je bijvoorbeeld credits voor games kunt kopen. In principe werkt dit hetzelfde als PayPal of de Chipknip. Je boekt een bedrag over van je gewone rekening naar je MiniTix-rekening en met dat geld kun je eenvoudig kleine aankopen doen.

Er is een Europese beweging aan de gang die alle banken in de Eurozone aan elkaar gaat knopen. Dat heet SEPA, Single European Payments Area. Als SEPA eenmaal binnen Europa is ingevoerd betekent het dat het overboeken van een betaling naar een nationale rekening op eenzelfde wijze gaat als naar een internationale bank in de Eurozone. Dus een betaling aan een camping in Frankrijk doe je op dezelfde wijze als de betaling van een rekening van je postorderbedrijf. Daarmee worden zaken als het pinnen, betalen en ontvangen van geld eenduidiger, eenvoudiger en uiteindelijk voor de consument goedkoper. Een gevolg is ook dat de geldstromen beter traceerbaar zijn, waardoor vooral overheden hoe langer hoe beter controles zullen kunnen gaan uitvoeren en dat ook zullen doen. Dat is niet tegen te houden en ook een must om eerlijke betrouwbare handel te kunnen voeren.

Conclusie

Het betalingsverkeer in Nederland en Europa en de wereld is volop in beweging en de opmars van het digitale girale geldverkeer zal uiteindelijk het traditionele geld bijna volledig gaan verdrukken, waarmee de controleerbaarheid van de geldstromen beter, sneller, goedkoper en veiliger wordt. Wat veiligheid betreft blijft het wel een kat- en muisspel met de onderwereld. Het zal noodzakelijk blijven om telkens te vernieuwen om de veiligheid van het betalingsverkeer te garanderen.
De verandering in het betalingsverkeer vraagt ook de nodige flexibiliteit van de gebruikers. Ze zullen mee moeten groeien en moeten accepteren dat inmiddels verouderde, onveilige vormen van betalingsverkeer zullen wegvallen of aanmerkelijk duurder worden om de kosten van het betalingsverkeer in de hand te houden. Dat vraagt nogal wat van ons, maar levert gelukkig ook wat op.

Wat ik ook zie, maar waar nu nog niet zoveel aandacht voor is, is dat door de hoge mate van automatisering er een markt ontstaat waarbij de klant zelf budgetten bepaalt voor type uitgaven, zodat hij bij betalingen van bepaalde artikelen gewaarschuwd wordt dat hij zijn budget overschrijdt, met als mogelijke gevolg dat de betaling wordt geweigerd en de koop niet doorgaat of er een signalering komt. Kortom een interactieve koppeling tussen planning en betaalgedrag. Dat is voor sommigen zeker nodig, want als je vanuit je portemonnee leeft weet je wanneer het geld op is, maar met al deze elektronische betaalvormen zou je jezelf flink kunnen vergissen in wat je feitelijk hebt en nog moet uitgeven, door het ontbreken van overzicht.

Rinus Krijnen