Wet van behoud van inkomen

Dit artikel gaat over telefonie. We staan weer aan de
vooravond van een nieuwe ontwikkeling en de betrokken bedrijven beginnen al
stelling te nemen om dit te gaan financieren. Ook het veranderende gedrag van
de consument dwingt de dataproviders om naar een ander verdienmodel over te
stappen. Want –ondanks de steeds groter wordende behoefte aan allways-online-
dreigen de opbrengsten de kosten niet meer te gaan dekken.
Wat is er aan de hand?

De telefoon heeft er meer dan een eeuw over gedaan om het
grootste deel van de wereldbevolking te bereiken. De laatste stap om dit te
kunnen bereiken is gekomen door mobiele telefonie. Delen van de wereld waren
namelijk met kabels niet te bereiken of veel te duur. Zo zijn Afrika en grote
delen van Zuid-Amerika, maar ook Turkije grotendeels alleen via het mobiele
netwerk te bereiken. Het is zelfs zo dat inheemse stammen in Afrika en
Zuid-Amerika bij GSM-bereik als eerste een mobieltje aanschaffen. Dit is van de
Westerse geneugten nog belangrijker dan koelkast, airco of TV. Het was een feit
dat telefonie schaars was, omdat men aanvankelijk alleen verbindingen kon
leggen met dure kabels. Het aanleggen van kabels is te vergelijken met treinen.
Elk meter die een trein aflegt gaat over infrastructuur die moet worden
aangelegd en onderhouden. Dat blijft geld kosten. Het voordeel van mobiel
dataverkeer is dat je -net als met vliegvelden- alleen aan de uiteinden van het
contactpunt infrastructuur moet aanleggen. Nog steeds kostbaar, maar veel
flexibeler en nauwelijks last van de omstandigheden, behoudens protesterende
dorpsgenoten die hypocriet wel mobiel willen bellen, maar geen mast in hun
achtertuin willen.
De prijzen van “bellen” waren door de dure infrastructuur ook erg hoog in het
begin. Het was simpelweg niet voor de gewone man weggelegd om te investeren in
communicatie. Voornamelijk ook omdat de wereld waarmee de gewone man zou willen
communiceren, dit ook niet kon betalen en dus ook niet deed. Nadat in de
jaren zestig in de vorige eeuw mensen
meer gingen verdienen, werd de telefoon ook meer bereikbaar voor de gewone man.
Niet dat het goedkoper werd, maar de modale mens had meer te besteden.
Nederland, dat goed bekabeld is, had net voor de introductie van de GSM ergens
rond 1991 een telefoondekkingsgraad van meer dan 95% van de huishoudens. En het
was ook nog allemaal in handen van de overheid, de PTT. Daarna veranderde de
wereld snel. Naast de vaste telefoon kwam de mobiele telefoon en ook internet
kwam op. Internet werd aanvankelijk via het telefoonnet afgewikkeld, daarna
volgende via de kabel de digitale variant van ISDN en daarna ADSL en inmiddels
blijkt ook het coax-TV-kabelnetwerk uitstekende internetverbindingen te kunnen
leggen. Ook kreeg de markt nieuwe intreders, waardoor het monopolie van PTT
werd opgeheven. Op het mobiele vlak kon je dus oorspronkelijk alleen dataverkeer
tot stand brengen via GSM, later opgevolgd door GPRS en weer later door zogenaamde
3G-verbindingen: UMTS, HSDPA en HUDPA. Bij elke generatie mobiel datanetwerk moesten
de providers grote investeringen doen in zendmasten, om overal dekking te
krijgen. Daarbij nam de overheid ook nog een graai uit deze pot door de
3G-frequenties tegen woekerprijzen te verkopen aan de providers. Die moesten
hiervoor zo diep in de buidel tasten dat het jaren heeft geduurd voordat de
ontwikkelingen op dit terrein enige omvang kregen. Door puur geluk vanwege het
doorslaggevende onverwachte succes van SMS zijn de providers aan een
faillissement ontsnapt. Met dank aan vooral de jongelui, die de veel te dure
SMS-jes ontdekten als toch een goedkoper alternatief voor bellen. En aangezien
SMS de providers feitelijk niets kost, omdat het asynchroon wordt afgewikkeld
(ofwel in de dalperiodes), bleek dit een ideale melkkoe. Met de UMTS-veiling
heeft de overheid de innovatie zwaar nadelig beïnvloed.

De consument zit niet stil en bedenkt hoe hij zo goedkoop
mogelijk kan bellen of kan internetten.
Mobiel bellen gebeurt nog steeds via GSM, maar dataverkeer gaat nu
mobiel over een 3G verbinding. Het belgedrag van de consument wordt anders.
Communiceren gebeurt via social media (chat) of via een dienst als Skype, waar
je geen gebruik maakt van GSM of een vaste telefoonverbinding. Liefst via WiFi
over het bekabelde breedband internet van de TV- of ADSL-provider; dan zijn de
kosten namelijk nihil en kun je dus grote afstanden telefonisch en soms zelfs
met beeldverbinding overbruggen. Nadeel is nog wel dat het installeren van de
software lastig is en het gebruiksgemak ook nog wel te wensen overlaat.
Gedreven door de veel lagere kosten zie je dat de consumenten dit voor lief
nemen en gaan –gedreven door lagere kosten- hiermee aan de slag. Het belgedrag
wordt minder, terwijl het berichtenverkeer: SMS, Chat, Social media juist sterk
toeneemt. Het oorspronkelijke verdienmodel van de providers was gebaseerd op
vaste telefonie: daar kwamen de grote winsten binnen. Er wordt hoe langer hoe
minder gebruik gemaakt van vaste telefonie, dus men moet wat nieuws gaan
verzinnen om geld te verdienen. Een groot deel van het communicatieverkeer is
verschoven naar dataverkeer (en geen spraak). Ook Skype bijvoorbeeld is geen
spraakverbinding, maar een dataverbinding, waarbij supersnel pakketjes met
gesproken tekst worden getransporteerd. En zelfs de gewone spraaktelefonie gaat
hoe langer hoe meer via het internet; het zogenaamde voice over IP (VOIP). Men
rekent nog wel af per gesprek, maar feitelijk is dit achterhaald. Sommige
providers zien dit wel in, waardoor je gesprekskosten kan afkopen. In het
verleden belde je lokaal tegen een lager tarief dan interlokaal. Lang geleden
had je zelfs voor lokaal tarief alleen een instaptarief en waren er geen
beperkingen aan de gespreksduur. Dat was rap verdwenen toen internet opkwam. De
nieuwste ontwikkelingen bij consumenten zijn dat men allways-on-line wil zijn.
Dat wil zeggen dat de mobiele telefoon, die inmiddels een kleine computer is
geworden, gebruikt wordt om zowel spraak- als dataverbinding te leggen en zelfs
wordt gebruikt als provider voor een WiFi of vaste dataverbinding voor tablets,
netbooks, laptops en PC’s. Dit noemt men tethering. Dit is een doorn in het oog
van providers, want hierdoor heeft men geen grip op hoe de verbinding tot stand
komt. Daarmee kunnen ze grote sommen geld mislopen. De providers willen
diensten zoals Skype en WhatApps afschermen, maar dat wordt met tethering een
stuk lastiger.
Kortom je ziet dat de limieten van de providers en gebruiksmogelijkheden worden
beperkt of aanmerkelijk duurder worden. Zeker als je weet dat momenteel voor
jongeren het mobieltje of PDA onafscheidelijk is, zullen hier grote financiële
problemen ontstaan, als ze er al hierdoor niet waren.

Een tweede reden waarom de providers meer geld nodig hebben
heeft te maken met de invoering van de nieuwe generatie verbindingen waarbij
ook sprake is van breedband op het mobiele netwerk. De nieuwe generatie
verbindingen met de verzamelnaam 4G heet Long term evolution (LTE) en de
hiervoor bestemde frequenties zullen ook door de overheid binnenkort worden
geveild. Als deze veiling financieel net zo uit de hand zal lopen als bij de
introductie van UMTS, dan zullen de kosten voor de mobiele abonnees nog meer
stijgen en zullen er serieuze problemen ontstaan in financiële en innovatieve
zin. Een reddingsboei als destijds de SMS-dienst zal nu zeker ontbreken.

Feitelijk is het een zeer slechte zaak dat de overheid de
frequenties verkoopt voor de hoogste bieder. Deze kosten worden rechtstreeks
doorberekend aan de consument of bedrijf, waardoor het een indirecte belastingverhoging
betreft. En als dat geld dat daarmee nu wordt opgehaald nu besteed zou worden
om innovatieve initiatieven te stimuleren, dan zou ik daar nog niet zo’n moeite
mee hebben. Helaas zal met dit geld wel weer een ander gat in de begroting
worden gedicht, waardoor Nederland op innovatief kennisland weer een aantal
jaren op slot zal zitten.

Rinus Krijnen

De kortste weg naar informatie

Papieren drukwerk staat zwaar onder druk. Boekhandelaren en
uitgevers klagen steen en been over dalende omzetten die in een vrije val
lijken te komen. Zeshonderd jaar is het gedrukte woord op papier de
belangrijkste informatiedrager geweest, maar in deze 21e eeuw lijkt
hier een einde aan te komen.
Daarvoor liggen een aantal redenen aan ten grondslag. In de eerste plaats wordt
de plaats van het woord verruild voor de plaats van het beeld. Kijk in uw
omgeving en zie dat aanwijsborden zijn gewijzigd van tekstborden in iconen. Het
voordeel is dat het beeld universeel is en voor iedere mens toegankelijk,
ongeacht culturele achtergrond, opleiding of taal. Voor het lezen van woorden moet
de mens een taal beheersen. Eigenlijk gaan we met de iconen weer terug naar de
vroege middeleeuwen, waarbij in kerken de belangrijkste Bijbelverhalen al werden
uitgebeeld om ook de ongeletterde mens te kunnen bereiken. Het nadeel bij het
beeld was dat de mens zijn fantasie de vrije loop kon laten gaan, waardoor de
interpretatie van de boodschap naar eigen inzicht kon worden vertaald. Wellicht
ook de reden dat toen de reformatie op gang kwam men in deze kerken afstapte van
deze beelden en men zich uitsluitend via het geschreven woord tot de gelovigen
richtte. Inmiddels was tenslotte de boekdrukkunst uitgevonden en met geschreven teksten kon men de
boodschap nauwkeuriger duiden.

In de moderne tijd zijn het video’s en foto’s die informatie
ondersteunen. Eén beeld zegt meer dan 1000 woorden is een uitdrukking die aangeeft
dat het gebruik van beelden sneller is dan het geschreven woord. En omdat het
steeds eenvoudiger wordt om beelden te maken (met je mobieltje) en het
publiceren op het internet via populaire sites als YouTube, Flickr en Picasa
concurreert het beeld hoe langer hoe meer met het geschreven woord. Dit was
natuurlijk al ingezet in de jaren vijftig met de opkomst van de TV, maar tot
voor kort waren beeld en geschreven woord nog geen concurrenten van elkaar maar
versterkten elkaar. Een boek kon je meenemen als er geen TV in de buurt was en
de TV prikkelde vaak om van een onderwerp meer te weten. En dan moest je het
vaak in boeken opzoeken.
Een aspect wat hierbij ook geldt is dat zowel de op papier geschreven tekst als
de TV eenrichtingsverkeer waren: onveranderbaar voor de kijker of lezer. Je
moest het er maar mee doen als eenmaal iets opgeschreven of op beeld vastgelegd
was. Juist de interactie tussen tekst en beeld brengt sneller en vollediger
informatie tot de mens en met internet en sinds kort interactieve TV is dit de
toekomst.
Het eerste slachtoffer van het nieuwe informatietijdperk werd de encyclopedie.
Vaak een statig ingebonden boekwerk dat als een soort intellectueel
statussymbool in vele huishoudens zichtbaar prominent in de kast stond, bezweek
al in de tweede helft van de negentiger jaren. Duidelijk werd dat de
encyclopedie in boekvorm de veranderbaarheid en de behoefte van een combinatie
van beeld en tekst in het moordende tempo van dit informatietijdperk nooit zou
kunnen bijbenen. Een aantal jaren geleden heeft men daarom besloten alleen nog
maar online-versies te maken van dit eens zo statige, kostbare boekwerk.
Dat “kostbare” is ook een belangrijke reden dat het geschreven woord op papier
kritisch wordt bekeken door de consument en deze consument daarom hoe langer
hoe vaker uitwijkt naar digitale media. Het internet is goedkoop toegankelijk
en heeft een schat aan gegevens, dus waarom zou je een duur boek of tijdschrift
kopen? Bovendien is het via diverse type apparaten over de hele wereld
toegankelijk.

De overload aan gegevens op het internet is –naast
nostalgische gevoelens- de reden dat de mens nu nog erg vaak naar het papier
grijpt. Een boek of papieren tekst geeft zekerheid. Het concurreert niet met
andere informatiebronnen als je het aan het lezen bent. Dat gebeurt op internet
wel. Mensen zijn vaak slecht in filteren van gegevens om te komen tot
informatie en worden door de overload aan gegevens op het internet onzeker en
vervallen daarom in hun vertrouwde patroon. Want wat moeten ze nu geloven? Wie
zijn die lui die al die gegevens publiceren en is het ook allemaal waar? In de
verzuilde wereld van vroeger wist je bij boek of tekst wie de auteur was en tot
welke signatuur deze man of vrouw behoorde. Dat gaf je enige houvast.
Voor velen is internet een digitaal doolhof waar men onzeker van wordt. Het
probleem is dus dat mensen gericht informatie willen ontvangen en niet willen worden
afgeleid door de verleidingen die op internet voorbij komen. Als je in een
zoekmachine een term invoert krijg je een groot aantal hits en hoe langer hoe
meer hebben de hits niet de intentie meer jou een antwoord te geven op je
vraag, maar iets aan je te verkopen en te verleiden iets anders te doen dan je
vraag te laten beantwoorden. Je zou het liefst in één keer zonder zoekmachine
of moeizaam gevonden webadres direct naar de juiste plaats willen waar jouw
antwoord staat.

De oplossing is er en je ziet deze hoe langer hoe meer
worden toegepast, al gebeurt het sluipend. Het is de QR-code, dat staat voor
quick response (snelle reactie). Het is een klein vierkant plaatje, verdeeld in
kleine blokjes waarmee je door dit te scannen met je mobieltje, iPAD2 of te
fotograferen, en daarna te scannen, je direct naar een webadres of een tekst op
het internet wordt geleid. Deze tweedimensionale QR-codes zie je nu al vaak op
posters, in tijdschriften, visitekaartjes, bij advertenties en op vele andere
plaatsen. De code is in 1994 door het Japanse bedrijf Denso-Wave voor Toyota
ontwikkeld en mag –ondanks het patent- door iedereen gebruikt worden. Als je
dus een mobiel apparaat bij je hebt met een camera, waarop een QR-scanner is
geïnstalleerd en waarmee je op internet kunt, dan word je bij het richten van de camera op de
QR-code op dat moment direct doorgeleid naar een tekst of een website waar een
verdieping staat over het onderwerp. Dat kunnen recensies, specificaties,
historie, of noem maar op zijn. Op alle moderne PDA’s is deze software
geïnstalleerd of kun je het installeren. Je kunt dus instant informatie
ontvangen die veel verder gaat dan op de klassieke manier van
informatieverstrekking, zoals brochures en folders. Het is een vorm van “Just
in time” informatie en bevordert gegarandeerd impulsinkopen. Afgezien dat het
veel sneller en completer is dan wanneer je op internet achteraf naar de
informatie gaat zoeken is de informatie ook veel goedkoper om te maken voor de
aanbieder. Het laten afdrukken van een QR-code in een tijdschrift of in een
krant is veel goedkoper dan advertentieruimte kopen. Bovendien hoeft de
aanbieder de informatie maar op één plek aan te bieden en dat is op zijn
internetpagina, met wellicht nog een extra versie op een mobiele
internetpagina. Veroudering van brochures is niet meer aan de orde. Je kunt
realtime de websites bijwerken dus de QR-scansoftware verwijst altijd naar de
meest actuele plaats. Dit scheelt enorm veel drukwerk. En drukwerk is duur: het
verbruikt papier en inkt, het heeft ontwerp- en logistieke kosten en bovendien
is het vaak al verouderd op het moment dat het gedrukt wordt. Daarnaast belast
papier, inkt en logistiek het milieu enorm.

Vooral bij de jonge generatie, die veel meer gewend is met
digitale media om te gaan, veel meer direct antwoorden wil en geen zin meer
heeft om hoge kosten te maken om informatie te verkrijgen, zal een effectieve
toepassing van QR-codes zeker aanslaan. Voor bedrijven die ‘maatschappelijk
verantwoord ondernemen’ in hun doelstellingen hebben staan, is het ook een
terrein waarop nog veel te verdienen valt. Dure brochures, voorwaarden en
folders kunnen instant worden opgevraagd en voorkomen distributie en
vermenigvuldiging van steeds dezelfde informatie.

Het is nog wel zaak dat de wereld deze methode gaat snappen.
Dat betekent dat niet alleen een innovatief bedrijf dit moet gaan vertellen,
maar dat er grootschalige mondiale of in in ieder geval landelijke communicatie
gaat plaatsvinden om mensen deze weg te laten vinden. Als dit echt aanslaat kan
dit enorme consequenties hebben. Maar de weg is sluipend al ingeslagen, er is
geen weg terug.

Natuurlijk zullen er mensen zijn die zeggen dat papier
fijner aanvoelt, een boek zo lekker ruikt, dat letters op papier rustiger lezen
dan van een scherm en dat het prettig is dat je geen batterijen of verbinding
nodig hebt om van papier te lezen, maar dit zijn tijdelijke beperkingen, die in
rap tempo zullen worden opgelost.
Drukwerk zal de komende jaren explosief duurder worden: de oplagen zullen
kleiner worden, maar de kosten blijven nagenoeg gelijk of worden zelfs hoger.
De marges komen daardoor onder druk te staan en het aanbod zal worden beperkt.
Uiteindelijk verdwijnt de industrie na zes eeuwen. De eerste barsten zijn nu al
te voelen.

Rinus Krijnen